Muziek maken uit karton
Orgelboeken voor draaiorgels werden aanvankelijk met de hand gemaakt. Niet met computergestuurde kapmachines zoals vandaag, maar met potlood op een rol papier, op maat gemaakt en een met een voetpedaal bediende kapmachine. Slechts een handvol mensen kent vandaag nog die techniek om zo’n boek handmatig te componeren, te tekenen en te kappen. Restaurator Jolien Paeshuys besloot die kennis niet verloren te laten gaan en startte een meester-leerlingtraject met Arthur Prinsen, één van de laatste vaklui die het nog met de hand beheerst. Wij gingen met Jolien in gesprek over hoe ze dit ambacht heeft aangeleerd, hoe oude en nieuwe technieken elkaar ontmoeten, en waarom het nu dringend tijd is om de kennis van deze generatie meesters vast te leggen.
Een fascinatie voor mechanische muziek
Jolien Paeshuys is restaurator van muziekinstrumenten. Tijdens haar opleiding leerde ze werken aan piano’s, klavecimbels en orgels, maar haar echte fascinatie groeide tijdens een stage in Museum Speelklok in Utrecht. Daar ontdekte ze de magie van instrumenten die zichzelf laten horen — orchestrions, dansorgels, speeldozen.
Toen de Vlaamse Gemeenschap in 2006 de collectie Ghysels aankocht, kreeg Jolien de taak om deze collectie te beheren. “Ik kon wel de materialen restaureren,” vertelt ze, “maar de kennis over muziek arrangeren speciaal voor orgel en over hoe de boeken aanvankelijk werden gemaakt, die was bijna verdwenen. Dat wou ik leren.” Hoewel het niet helemaal haar gebruikelijke muziekstijl was, groeide gaandeweg haar waardering voor de mechanische muziek. Het is dan ook noodzakelijk dat zij de instrumenten regelmatig bespeelt. “Dat hoort bij het beheren van die collectie, omdat die wind er moet blijven doorgaan. Het moet bespeelbaar blijven, want als die functie wegvalt, is het instrument gewoon een heel groot object.”
Hoe een orgelboek muziek wordt
Een orgelboek is een lange, zigzaggevouwen strook karton met gaatjes die bepalen welke tonen en registers het orgel bespeelt. “Elke horizontale lijn op het boek komt overeen met één register”, legt Jolien uit. “Telkens als het boek door het orgel loopt en een gaatje passeert, komt er lucht vrij naar een pijp of percussie-instrument. Zo bespeelt het boek het orgel zelf.”
Afhankelijk van het type orgel – bijvoorbeeld een 68-toets- of 121-toetsorgel – wordt het boek complexer. “Bij een 121-toetsorgel heb je dus 121 lijnen die tegelijk of apart instrumenten kunnen aansturen”, zegt Jolien. “Dat is wat ik eigenlijk wilde leren: hoe je die registercombinaties maakt.” Wie meer wil weten over hoe het kappen van een orgelboek precies in zijn werk gaat, van compositie tot perforatie, vindt hier een registratie van dit proces en hier een korte documentaire waar je aan de hand van archiefbeelden en uitleg van de meester meer te weten komt over hoe er vroeger orgelmuziek gemaakt werd.
In de leer bij Arthur Prinsen
Om die kennis te verwerven, diende Jolien een aanvraag in voor een meester-leerlingtraject. Ze kende op dat moment Arthur Prinsen al, één van de laatste nog levende meesters in het boekkappen. Prinsen was zelf muzikant, componist en arrangeur, en had decennialang mechanische orgels gemaakt en gerestaureerd. Jef Ghysels en Arthur Prinsen werkten altijd samen aan de collectie die Jef opbouwde. Jef restaureerde het schrijnwerk en Arthur restaureerde de mechaniek, leverde de muziekboeken en bracht ook nieuwe orgels aan. Toen ze Prinsen vroeg om haar het ambacht van het boekkappen aan te leren, was hij direct enthousiast.
“Arthur was eigenlijk de ideale leermeester”, zegt Jolien. “Hij kende de hele keten: van muziekarrangement tot het kappen van de boeken. En hij kon het uitleggen op de manier waarop hij het zelf had geleerd — zonder computer, puur met handwerk en inzicht.”
De samenwerking verliep op het ritme van de meester. “Het leerproces verliep traag, vooral de eerste lessen om alles uit te zoeken,” vertelt Jolien, “maar dat was niet erg. Dit is een ambacht dat traag mag groeien.” Arthur had het zelf geleerd door dagenlang naast een meester te zitten en te observeren. Dit was nu niet mogelijk mede door de leeftijd van de meester. Het gebeurde eerder in fasen: een strook melodie en dan weer refrein, het refrein werd herhaaldelijk met de hand opnieuw genoteerd, dit was een goede oefening.
“In het begin heb ik bestaande liedjes geanalyseerd”, legt Jolien uit. “Ik was op piano de Fledermauswals aan het spelen van Strauss. Dit past eigenlijk wel bij het orgel waar we muziek voor maakten.” Arthur is dan begonnen met op notenbalken te zetten welke noten Jolien moest aanduiden en leerde aan hoe de beste registercombinaties gemaakt werden. Zo leerde ze stap voor stap welke registers bij de baslijn, de begeleiding of de melodie horen. Praktisch betekende dat: eerst een ruwe versie op een lange rol papier arrangeren. De rol wordt eerst op de noteertrommel vastgemaakt. De noteertrommel voorziet de verdeling van de toetsen waardoor je gemakkelijk de noten per register kan aanduiden door middel van een pinnetje door het papier te prikken en de nodige aantekeningen te maken met schetspotlood. Later ging Jolien zelf arrangementen maken en met een noteertrommel oefenen om die ideeën in echte orgelboeken om te zetten. Dit was nog geen groot succesverhaal maar oefening baart kunst.
Een ambacht dat verplaatst naar het digitale tijdperk
Het ambacht van het handmatig boekkappen is vandaag bijna verdwenen. “Het ambacht is eigenlijk al een tijdje geleden niet meer in gebruik en wordt voornamelijk nog toegepast om boeken te herstellen, of aan te passen”, zegt Jolien. “Maar nieuwe technieken worden sinds de jaren 90 toegepast om muziek af te spelen op het orgel zelf. De boeken en inleesklavieren werden op de duur vervangen door een MIDI-box (MIDI staat voor Musical Instrument Digital Interface en is een universele manier om synthesizers, digitale piano’s, keyboards, muzieksoftware en alle andere denkbare muziekapparatuur met elkaar te laten communiceren) erop te zetten, met een LCD-scherm. Dan typ je gewoon het nummer in dat je wil horen, en het orgel speelt het af.” Toch denkt ze niet dat die evolutie het einde betekent van het orgelboek. “De meeste orgelliefhebbers hebben liever beide systemen”, legt ze uit. “Zodat ze nog boeken kunnen afspelen die ze ergens vinden, maar ook gemakkelijk een liedje kunnen kiezen op het LCD-scherm. Dat is eigenlijk de toekomst: de combinatie van oude charme en nieuwe techniek.”
Documentaire
Het traject resulteerde onder andere in een korte documentaire, The Sound Of Books, die een beeld geeft van de orgelboeken en het maakproces. Jolien werkte hiervoor samen met de makers van The Sound of Belgium — een creatieve samenwerking waarbij archiefmateriaal verzameld werd en gemonteerd met de juiste invalshoek, die niet meteen vanzelfsprekend was. Jolien vertelt hierover: “Ik stuurde af en toe teasers over boekenmakers en deed suggesties. Samen maakten we een opbouw en verzamelden we materiaal. Er is weinig bruikbaar filmmateriaal bewaard gebleven, maar we vonden toch enkele zeer bruikbare beelden. Op voorhand spraken we af om er een korte documentaire van te maken, zodat we die met een breed publiek konden delen. Eens we begonnen, waren de makers ook meteen gebeten door het verhaal van het muziek maken voor orgels en het sfeertje dat erbij hoort.”
“We zijn bij verschillende orgelbouwers en arrangeurs/noteurs op bezoek geweest om te filmen”, zegt Jolien. Op voorhand had ik aangegeven wat er zeker in moest. Met het juiste netwerk werd er daarna prachtig materiaal verzameld, dankzij de inzet van allerlei gepassioneerde orgelliefhebbers en ‑muziekmakers. Het onderwerp spreekt misschien niet iedereen onmiddellijk aan, maar door oud beeldmateriaal te combineren met nieuwe opnames zijn ze erin geslaagd om iets wat voor veel mensen vergeten was opnieuw fris en aantrekkelijk te maken. Het is een poging om zowel nostalgie op te wekken bij de oudere generatie als om jonge mensen nieuwsgierig te maken. Dergelijke orgelmuziek en ‑boeken waren tenslotte de eerste media om muziek te reproduceren — waar wij nu bestanden, en vroeger lp’s, cassettes of cd’s gebruiken, is het orgelboek eigenlijk de voorloper van.”
De makers hielpen Jolien ook om duidelijke keuzes te maken en niet alles in de documentaire te tonen. Daardoor duurt de documentaire nu vijftien minuten, wat het ook zeer geschikt maakt om in het museum te tonen of om het online te laten circuleren. Tijdens het traject werd een nieuw orgeltje aangekocht voor de educatieve dienst van het Museum Vleeshuis. “’t Prinske is één van de laatste orgels die Arthur Prinsen zelf gebouwd heeft”, vertelt Jolien. “Bert Lezy, een kunstenaar uit Antwerpen, heeft het beschilderd en ik heb er een boekje bijgemaakt. Het is een erg leuke activiteit en fijn instrument dat we gebruiken voor tentoonstellingen en educatieve activiteiten.”
Toekomstplannen en -dromen
Jolien wilde aanvankelijk een langere film maken. “Ik had eerst een docu die langer zou duren in mijn hoofd,” zegt ze, “om ook echt de muziek zelf te laten horen en daar meer over te vertellen. Muziekstijlen van liedjes die vroeger werden omgezet naar pianola of orgel, de context ervan en het feestgedruis daarrond. Dat is iets waar ik nog graag dieper op zou ingaan, maar dat zal een andere documentaire worden.”
Ze zou graag nog meer leren over de muzieksoorten die typisch bij orgels horen. “Elk orgel heeft zijn eigen soort muziek. Een orgel uit een bepaalde tijd of regio klinkt gewoon het best met muziek uit diezelfde periode. Er zijn orgels die ideaal zijn voor swing en jazz, andere voor echte kermismuziek, of weer andere voor het populaire klassieke repertoire. Dat wil ik graag verder onderzoeken, net als welke orgels zich het best lenen voor nieuwe composities of voor muziek die je normaal op kermis- of dansorgels hoort.”
Ze merkt wel dat de tijd dringt. “Ik heb gesprekken met mensen die er al hun hele leven mee bezig zijn, uit België, Nederland, het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk … Mensen met een ongelooflijke kennis”, vertelt ze. “Maar ze zijn allemaal van ‘rijpere’ leeftijd. Het is echt tijd om dit nu te documenteren.”
Ook werkt Jolien aan een handleiding voor muzikanten, zodat zij zelfstandig muziek kunnen componeren en arrangeren voor draaiorgels maar dit is nog een work-in-progress. Binnen het traject startte ze een samenwerking op met twee muzikanten, die ze verder wil uitbouwen. “Ik legde contact met twee muzikanten, omdat ik twee verschillende visies interessant vond”, zegt Jolien. “De ene werkt met soundscapes en techno, heeft een conservatoriumopleiding gehad en speelt ook prachtig piano. Superinteressant, want hij weet ook superveel van MIDI en kan daar heel goed mee werken. De andere komt uit de folk, speelt draailier, maar combineert die ook met moderne muziek via MIDI.”
Jolien werkt momenteel aan het concretiseren van deze samenwerkingen en hoopt dat er nieuwe composities uit voortkomen. “Dat is eigenlijk mijn bedoeling: dat die samenwerking met hedendaagse muzikanten en het orgel toegankelijker wordt. We bekijken ook de mogelijkheden om hun eigen software te gebruiken, want die willen ze natuurlijk liever gebruiken dan bestaande programma’s.” Op die manier hoopt Jolien niet alleen het ambacht van het orgelboek te behouden, maar ook te laten evolueren in samenwerking met hedendaagse muziekpraktijken.
Erfgoed dat klinkt en leeft
“Uiteindelijk wil ik dat de documentaire zoveel mogelijk verspreid wordt”, zegt Jolien. “En dat muzikanten dankzij de handleiding zelf aan de slag kunnen om muziek te maken voor deze instrumenten.” Zo zorgt het meester-leerlingtraject, samen met alle uitwerkingen ervan, ervoor dat dit erfgoed niet alleen zichtbaar blijft, maar ook hoorbaar en beleefbaar wordt voor een breed publiek.
Ook interessant
Haha humor: van variété tot cabaret | Erfgoeddag 2026
Soundwest: Aan de slag met je muziekarchief?
Zeven generaties in archiefdozen: het nalatenschapsproject van Circus Ronaldo