Een korte historiek van mechanische orgels
De oudste mechanische orgels die bewaard bleven, dateren uit het begin van de 16de eeuw en waren voorbehouden voor vorsten en rijke adel. Aan het begin van de 18de eeuw werden serinettes of kanarieorgels populair, orgeltjes in kleine doosjes met een zwengel. Straatmuzikanten begonnen zichzelf ermee te begeleiden. Voor een sterkere en vollere klank werden steeds meer en grotere pijpen toegevoegd. Zo ontstonden opeenvolgend buikorgels, pootorgels en rijdende straatdraaiorgels. Vanaf het einde van de 19de eeuw waren dansorgels populair in cafés of op kermissen in de Zuidelijke Nederlanden.
Automatisch speelwerk voor vorsten en rijke adel
Tegen het einde van de 13de eeuw verschenen in onze contreien zelfstandig tikkende raderuurwerken. Met de toevoeging van een automatisch speelwerk en/of planetarium, ontstond een mechaniek die tot in de 18de eeuw populair was. Een van de oudst bewaarde westerse klokken van die soort is de Driekoningenklok van de Kathedraal van Straatsburg uit 1352 – 1354. Centraal stond een haan die zong via een blaasbalg en een riet (net als een koekoeksklok). Daarnaast waren er drie koningen die kwamen buigen voor de Maagd Maria, begeleid door bellenspeelwerk met een muziekcilinder. Later werden dit soort bellenspeelklokken ook in huiskamerformaat gemaakt. De oudst bewaarde voorbeelden dateren uit de late 15de eeuw. (Arpelle-Ziegler, 2011; Haspels, 2006; Museum Speelklok, z.d.)
Al in 1458 vinden we sporen terug van orgels aangedreven door muziekcilinders. In dat jaar verleende de hertog van Brabant, Filips de Goede, een jaarlijkse toelage van vijftig rijnsgulden aan “Jan van Steenken, meester van orgelen spelende op henselven”. De opdracht was om een groot zelfspelend orgel met muziekcilinder en aandrijfmechanisme te maken. Dit 15de-eeuwse orgel bleef niet bewaard. Wel zijn er 16de-eeuwse voorbeelden, zoals de het orgelwerk dat pins-bisschop Leonhard von Keutschach op de muur van de burcht Hohensalzburg liet installeren om het openen en sluiten van de poort aan te kondigen. Ook de oudst bewaarde orgelklokken dateren uit de 16de eeuw. Deze speelklokken met orgelpijpen waren toen nog duurder en exclusiever dan bellenspeelklokken. (Haspels, 2001; Jacobs, 2007; Museum Speelklok, z.d.)
In de 18de eeuw was de orgelklok het belangrijkste automatische muziekinstrument. Naast bewerkingen van bekende melodieën – aria’s, wereldlijke en geestelijke liederen, psalmen, menuetten en andere dansen – schreven ook componisten als Händel, Mozart, Haydn en Beethoven automatische muziek. (Rasch, 2006)
Van serinette tot straatdraaiorgel
Behalve in speelklokken, werden orgelpijpen ook ingebouwd in tafelstukken, meubelstukken en doosjes. Rond 1720 waren serinettes of kanarieorgels populair om kanaries (serin in het Frans) melodieën aan te leren. De rijke burgerij liet de muziekcilinder en mechaniek in kunstig gedecoreerde kistjes en in allerhande objecten en figuren verwerken. In Italië gingen straatzangers deze orgeltjes gebruiken om zichzelf te begeleiden. De oudst bekende afbeelding en beschrijving van een straatorgeldraaier verscheen in het boek Gabinetto Armonico van F. Bonanni uit 1722. (Meijer, z.d.; Vanoutrive, 2015)
Vele Italiaanse straatmuzikanten trokken met hun draaiorgeltje naar andere landen en zorgden zo voor de snelle verspreiding ervan. Het geluid van de orgeltjes was echter hoog en ijl. Vanuit de behoefte aan een sterkere en vollere klank, werden meer en grotere pijpen toegevoegd. En vanuit de behoefte aan meer melodieën, werden grotere cilinders gemaakt. De orgels groeiden uit tot buikorgels - die met een riem om de hals werden gedragen, zodat ze rustten op de buik van de muzikant – en later tot pootorgels - die op een onderstel met uitklapbare poten gemonteerd. Nog later werden ze op een driewielige kar geplaatst. Met hun rijdende straatdraaiorgels trokken muzikanten van plaats naar plaats, van kermis naar jaarmarkt. (Meijer, z.d.; Vanoutrive, 2015)
De eerste Europese draaiorgelfabrieken en -verhuurbedrijven
In het Duitse Schwarzwald en in Parijs ontstonden tussen 1800 en 1840 de eerste echte draaiorgelfabrieken (Meijer, z.d.). Parijs werd hét centrum van de mechanische orgelnijverheid. Zo verhuisde ook de Italiaanse fabriek Gavioli (1806 – 1914) in 1845 naar Parijs. Gavioli groeide later uit tot een heuse multinational met afdelingen in Londen, Manchester, Barcelona, Milaan, New York, Antwerpen en Waldkirch. (Jakobs, 2007)
Rond het einde van de 19de eeuw speelden muzikanten met straatdraaiorgels in verschillende West-Europese landen, maar ze hadden vaak niet voldoende geld om de orgeltjes te onderhouden. Daardoor was de kwaliteit van de muziek vaak niet zo groot. In Nederland ging het niveau omhoog toen in 1875 de Belg Leon Warnies (1835 – 1903) en zijn echtgenote Susanna van Himste in Amsterdam een draaiorgelverhuurbedrijf begonnen. Warnies kocht goede orgels in Frankrijk en Duitsland, eerst alleen kleine buikorgels, later ook rijdende draaiorgels. Orgeldraaiers konden voor een redelijk bedrag een orgel huren bij Warnies, die op zijn beurt zorgde voor regelmatig onderhoud en stemming van de instrumenten. Er ontstond zo in Nederland een heel netwerk van professioneel orgelonderhoud en ‑gebruik. Het imago van de orgelman verschoof snel van straatloper naar amusementsondernemer. (Meijer, z.d.; Jakobs, 2007)
De eerste draai- en dansorgelfabrieken in België verschenen rond de jaren 1880. Zo stichtte Louis François Hooghuys (1856 – 1924) in 1880 de Manufacture d’orgues mécaniques Louis Hooghuys te Geraardsbergen. Jan Verbeeck (1861 – 1936) startte in 1884 een eigen bedrijf in de Beeldekensstraat 153 te Antwerpen. En Théophile Mortier (1855 – 1944) begon in 1885 met een orgelverhuurbedrijf, dat in 1898 een orgelbouwbedrijf werd. Vele grote en kleine draai- en dansorgelfabrieken volgden hun voorbeeld en België werd toonaangevend in de constructie ervan.
Dansorgels in de Zuidelijke Nederlanden
Vanaf het einde van de 19de eeuw waren dansorgels populair in het zuiden van Nederland en in België. Dansorgels werden permanent of bij bijzondere gelegenheden (bv. kermissen) bij of in cafés en danstenten geplaatst. Om er te dansen, moest men dansgeld betalen: Eerst werd een nummer in het midden stopgezet om te betalen, later betaalde men per dag. (Broeke, 1977a)
De dansorgels volgden de algemene trend: na een periode van manuele aandrijving schakelden de producenten over op stoomkracht en later op elektriciteit. Caféhouders investeerden door het grote succes in aparte danszalen met orgels, aangebouwd aan hun cafés. Door de grote onderlinge concurrentie werden steeds nieuwe, spectaculairdere en/of grotere exemplaren geplaatst. Ook de producenten kwamen voortdurend met nieuwigheden. (ETWIE, z.d.)
De opkomst van het orgelboek
Eeuwenlang werd mechanische muziek geprogrammeerd op cilinders: houten rollen waarop metalen stiftjes en bruggen aangebracht werden. Cilinders waren echter groot, kostbaar en kwetsbaar. In 1892 zorgde de firma Gavioli in Parijs voor een omwenteling met de uitvinding van het orgelboek. Muziek kon vanaf dan geprogrammeerd worden op een zigzag opgevouwen kartonnen boek. Orgels werden nog groter en mooier, en exploitanten konden makkelijker en goedkoper aan muziek komen. Nieuwe boekorgels werden vooral gebouwd voor kermisexploitanten en eigenaars van danszalen in Frankrijk en België. (Meijer, z.d.)
Oorlogs- en crisisjaren
Zowel de Eerste als de Tweede Wereldoorlog waren sombere jaren. Sommige orgelbouwers gingen nog op een lager pitje door met de bouw van dans- en draaiorgels. Na de Eerste Wereldoorlog nam de massale productie van bijna alle mechanische muziekinstrumenten geleidelijk af, behalve die van straat- en dansorgels. De nadruk werd gelegd op modernere fronten en instrumenten (ETWIE, z.d.; Isebaert, 2012).
Eind jaren 20 waren veel klanten van orgelfabrieken kleine dorpscafés. Voor hen was het te duur om elke maand een nieuw orgelboek te bestellen. Het systeem van de rollenorchestrions was voor hen een betaalbaar alternatief. Terwijl de afzet van orchestrions in Europa en de rest van de wereld sterk terugliep, was België de uitzondering. Vele fabrikanten van orchestrions in Duitsland verkeerden in moeilijkheden, waardoor ook Belgische fabrikanten (waaronder Eich, Bursens en Decap) rollenorchestrions begonnen bouwen. (Claes, 1979; Van der Vlugt, 2002)
Tijdens de jaren 30 ging de productie van draai- en dansorgels in dalende lijn. Daarvoor waren verschillende oorzaken, waarvan de economische crisis de voornaamste was. Ook de opkomst van de radio, grammofoon en geluidsfilm, en het ombouwen van dans- naar filmzalen speelden wellicht een rol. De meeste kleine bedrijfjes moesten de deuren sluiten. Enkele families, zoals Decap, konden dankzij innovatie en vakmanschap overleven in de sector. (Herremans & Vos, 2012; Jacobs, 2007; Meijer, z.d.)
Na de Tweede Wereldoorlog rezen baandanszalen in België en Zuid-Nederland als paddenstoelen uit de grond. De mensen wilden zich amuseren, pinten drinken en dansen. Toch was het aantal vaklieden sterk verminderd en waren de lonen gestegen, waardoor de kost voor een orgel groot werd. Daarnaast was er de drang naar vernieuwing. Door de opkomst van de jukebox begon men dansorgels te bouwen met gelijkaardige kleurenverlichting en mooie decoraties. (Broeke, 1977b; Jacobs, 2002; Vanoutrive, 2015)
Dansorgels voor liefhebbers
Vanaf de jaren 50 verdwenen de meeste dansorgels. Ook hiervoor waren verschillende verklaringen. Zo werden veel dansorgels vervangen door dansorkestjes of andere geluidsbronnen (zoals jukeboxen en draaitafels). De jongerencultuur en vrijetijdsbeleving evolueerden, waardoor dansorgels grotendeels uit het uitgaansleven verdwenen. Met vernieuwingen als zichtbare drumstellen, elektronische instrumenten en musicerende robots bleven sommige orgelbouwers overeind. (ETWIE, z.d.; Jacobs, 2002)
Veel mechanische orgels werden uit cafés en zalen verwijderd en opgestookt of (in delen) verkocht. De instrumenten die bewaard bleven, bevinden zich nu in museale depots of bij particuliere verzamelaars over de hele wereld. Veel instrumenten zijn (en worden nog steeds) verscheept naar het buitenland, met name de Verenigde Staten, Japan en Rusland, waar nog steeds veel interesse is in dans- en draaiorgels. Vanuit een groeiende erfgoedbezorgdheid, met name over het verdwijnen van collecties naar het buitenland, begon men stilaan met het opnemen van mechanische orgels in museumcollecties, en wordt er met de instrumenten aan de slag gegaan in erfgoedprojecten. In 2007 werd MechaMusica opgericht, de eerste Belgische vereniging die aandacht heeft voor de instandhouding van (de cultuur van) mechanische muziekinstrumenten. In 2022 werden drie automatische orgels uit de Collectie Ghysels erkend als Vlaams topstuk. (Jacobs, 2007; MechaMusica, z.d.; Muziekmuseum Vleeshuis, z.d.; Paeshuys, 2013)
In tearoom De Zoeten Orgel toont Eddy Goderis automatische orgels
Bronnen en literatuur
- Arpelle-Ziegler, J. (2011, december). Astronomical clock Cathédral de notre-dame-de-Strasbourg. Jazztravelweb.
- Broeke, A. (1977a). Gebr. Decap. Deel 2: 1902 – 1960: de periode van de pijporgels. Het Pierement, 24(1). Geraadpleegd in Broeke, A. (2007). Het Belgische dansorgel: een compilatie van artikelen uit “Het Pierement” (1954 – 2004).
- Broeke, A. (1977b). Gebr. Decap. Deel 3 (slot) 1948-heden: de periode van de elektronische orgels en robotten. Het Pierement, 24(3). Geraadpleegd in Broeke, A. (2007). Het Belgische dansorgel: een compilatie van artikelen uit “Het Pierement” (1954 – 2004).
- Claes, J. (1979). Arthur Bursens, een man die leeft voor zijn orgel. Het Pierement, 26(1). Geraadpleegd in Broeke, A. (2007). Het Belgische dansorgel: een compilatie van artikelen uit “Het Pierement” (1954 – 2004).
- ETWIE. (z.d.). Dansorgels en draaiorgels.
- Haspels, J.J. (2006). Tijdmeting en automatische muziek 1300 – 1600. In Haspels, J.J. (Red.), Royal music machines: vijf eeuwen vorstelijk vermaak. Walburg Pers.
- Haspels, J.J. (2001). Een ommekeer in de Nederlandse draaiorgelcultuur. In L. Grijp (Red.), Een muziekgeschiedenis der Nederlanden (pp. 553 – 559). Amsterdam University Press.
- Herreman, R., & Vos, S. (2012). Van spiegeltent tot discotheek. De danszaal. In E. Bruyneel, R. Herreman, A. Stynen, & S. Vos (Reds), Veel volk verwacht. Populaire muziekcultuur in Vlaams-Brabant sinds 1800 (pp. 315 – 317). Peeters.
- Isebaert, B. (2012). Studieopdracht Orgelcollectie Ghysels.
- Jacobs, J. (2002). Een wandeling door het Brabants orgelverleden (5). Het Pierement, 49(3). Geraadpleegd in Broeke, A. (2007). Het Belgische dansorgel: een compilatie van artikelen uit “Het Pierement” (1954 – 2004).
- Jacobs, M. (2007). Dansen op de wind: Mechanische amusementsmuziek van de tweede industriële revolutie. Mores, 8(3), 5 – 14.
- MechaMusica. (z.d.). MechaMusica vzw.
- Meijer, T. (z.d.). Historie — Muziek op straat: het draaiorgel. Draaiorgelmuseum Haarlem.
- Museum Speelklok. (z.d.). Speelklokken.
- Muziekmuseum Vleeshuis. (z.d.). Drie orgels uit de Collectie Ghysels.
- Paeshuys, J. (2013, maart). Behoud en beheer van muziekinstrumenten. Rust of orgelpunt?. faro, 6(1), 33 – 36.
- Rasch, R. (2006). Is automatische muziek een genre?. In Haspels, J.J. (Red.), Royal music machines: vijf eeuwen vorstelijk vermaak. Walburg Pers.
- Van der Vlugt, M. (2002). Honderd jaar Decap Antwerpen 2. Het Pierement, 49(2). Geraadpleegd in Broeke, A. (2007). Het Belgische dansorgel: een compilatie van artikelen uit “Het Pierement” (1954 – 2004).
- Vanoutrive, P. (2015). Van draailier tot Decap: Het luisterrijke parcours van het dansorgel. EOS memo, 15, 44 – 49.