Wat zijn mechanische orgels?
Dans- en draaiorgels zijn mechanische muziekinstrumenten met orgelpijpen. De eerste instrumenten werden bespeeld door te draaien aan een zwengel. Later werden ze – vooral de dansorgels - op stoomkracht aangedreven en vervolgens op elektriciteit. De muziek stond vanaf het begin geprogrammeerd op houten cilinders. Vanaf 1892 kwamen kartonnen orgelboeken op en vanaf het einde van de 20ste eeuw kwam de digitalisering op gang met MIDI-bestanden.
Draaiorgels
Draaiorgels verspreidden zich in de 18de eeuw met Italiaanse straatmuzikanten doorheen de rest van Europa. De eerste draaiorgels hadden kleine orgelpijpen waardoor ze erg hoog en ijl klonken. Vanuit de behoefte aan een sterkere en vollere klank, werden meer en grotere pijpen toegevoegd. En vanuit de behoefte aan meer melodieën, werden grotere cilinders gemaakt. De orgels groeiden uit tot buikorgels - die met een riem om de hals werden gedragen, zodat ze rustten op de buik van de muzikant – en later tot pootorgels - die op een onderstel met uitklapbare poten gemonteerd. Nog later werden ze op een driewielige kar geplaatst. Met hun rijdende straatdraaiorgels trokken muzikanten van plaats naar plaats, van kermis naar jaarmarkt. Vooral in Nederland werden straatdraaiorgels, ook pierementen, enorm populair. (Meijer, z.d.; Vanoutrive, 2015)
Dansorgels
Vanaf het einde van de 19de eeuw waren dansorgels populair in het zuiden van Nederland en in België. Dansorgels werden permanent of bij bijzondere gelegenheden (bv. kermissen) bij of in cafés en danstenten geplaatst. Caféhouders investeerden door het grote succes in aparte danszalen met orgels, aangebouwd aan hun cafés. Door de grote onderlinge concurrentie werden steeds nieuwe, spectaculairdere en/of grotere exemplaren geplaatst. Naast de traditionele orgelpijpen wordt het dansorgel vaak voorzien van accordeons, saxofoons, percussie en andere instrumenten. (Broeke, 1977a; ETWIE, z.d.)
Orchestrions
Begin 20ste eeuw waren orchestrions vooral populair bij kleine dorpscafés voor wie de grote dansorgels te duur waren. Orchestrions zijn kleine automatische orgels die ingebouwd zijn in een salonkast, met het doel een orkest te vervangen. Zowel het instrument als de energievoorziening zijn ingebouwd en worden dus aan het oog onttrokken. Meestal speelden zij pas een deuntje nadat er een muntje in de automaat was geworpen. (Broeke, 1979; Kring van Draaiorgelvrienden, z.d.)
Vernieuwingen en aanpassingen
Draai- en dansorgels gingen mee met hun tijd, zowel qua technologie als qua uiterlijk. Zo zijn er oude orgels in pasteltinten, rijk geornamenteerd met zwierige vormen, bloemmotieven en geschilderde taferelen. Latere dansorgels, zoals de ‘Organ Jazz Decap’ uit 1946, zijn duidelijk beïnvloed door Art Deco, met heldere kleuren en strakke vormen. Andere zijn getooid met musicerende robots of met kleurenverlichting, geïnspireerd door de jukeboxen. Orgels uit de jaren zeventig hebben een strak ‘Nieuwe Zakelijkheid’ uiterlijk met fletse grijs‑, oranje- en bruintinten. (Broeke, 1977b)
De instrumenten ondergingen ook na hun productie verschillende aanpassingen en zelfs radicale verbouwingen in verschillende periodes. Herstellingen werden niet gedaan met het oog op duurzame bewaring, maar wel omdat the show must always go on. Mechanische defecten moesten snel en goedkoop worden opgelost tijdens de dansavond. En als er in een bepaalde fase elektriciteit werd toegevoegd, was het vaak een kwestie van knutselwerk. (Jacobs & Vercauteren, 2011)
Houten cilinders
Eeuwenlang werd mechanische muziek geprogrammeerd op cilinders: houten rollen waarop metalen stiftjes en bruggen aangebracht worden. Die stiftjes (kortere noten) en bruggen (langere noten) activeren metalen toetsen, die ervoor zorgen dat kleppen in de windlade geopend worden. Zo komt lucht in de orgelpijpen en krijg je dus klank. (Jacobs, 2007; Meijer, z.d.)
De cilinders hadden echter hun beperkingen. Door hun beperkte omtrekt, duurde een melodietje slechts 30 tot 100 seconden. Het vervangen van de cilinder was een omslachtige klus en de opbrengst van straatmuzikanten stond niet in verhouding tot de kostprijs van cilinders. Er kwamen grotere cilinders, op sommige stonden tot tien melodietjes die je kon laten horen door de cilinder te verschuiven. Die waren echter ook groter, zwaarder, kostbaar en kwetsbaar. (Jacobs, 2007; Meijer, z.d.; Vanoutrive, 2015)
Kartonnen orgelboeken
In 1892 zorgde de firma Gavioli in Parijs voor een omwenteling met de uitvinding van het orgelboek. Muziek kon vanaf dan geprogrammeerd worden op een zigzag opgevouwen kartonnen boek. Daarop wordt het notenschrift overgezet in een patroon van lange en korte gaatjes. Draai- en dansorgels werden nog groter en mooier, en exploitanten konden makkelijker en goedkoper aan muziek komen. Nieuwe boekorgels werden vooral gebouwd voor kermisexploitanten en eigenaars van danszalen in Frankrijk en België. (Meijer, z.d.; Vanoutrive, 2015)
Een orgelboek is een lange, zigzaggevouwen strook karton met gaatjes die bepalen welke tonen en registers het orgel bespeelt. “Elke horizontale lijn op het boek komt overeen met één register”, legt Jolien Paeshuys ons uit in een interview. “Telkens als het boek door het orgel loopt en een gaatje passeert, komt er lucht vrij naar een pijp of percussie-instrument. Zo bespeelt het boek het orgel zelf.” Afhankelijk van het type orgel – bijvoorbeeld een 68-toets- of 121-toetsorgel – wordt het boek complexer. “Bij een 121-toetsorgel heb je dus 121 lijnen die tegelijk of apart instrumenten kunnen aansturen.” (Witkamp, 2025)
Waar men in het begin nog iemand nodig had om na elk nummer het boek te wisselen, kwamen er later boekenwielen, zodat meerdere melodieën na elkaar afgespeeld konden worden. (Veldhoen, 2024)
MIDI-bestanden
Aan het einde van de 20ste eeuw deed een nieuwe ontwikkeling zijn intrede. “Als besturingssysteem wordt nu ook gebruik gemaakt van het MIDI-systeem (Musical Instrument Digital Interface). Hierbij komen de ‘commando’s’ niet meer via de orgelboeken, maar van MIDI-bestanden waarin zogenaamde elektronische notenschriften versleuteld zitten”, vertelt Roger Mostmans (Gebroeders Decap) in een interview in EOS memo. (Vanoutrive, 2015)
Bronnen en literatuur
- Broeke, A. (1977a). Gebr. Decap. Deel 2: 1902 – 1960: de periode van de pijporgels. Het Pierement, 24(1). Geraadpleegd in Broeke, A. (2007). Het Belgische dansorgel: een compilatie van artikelen uit “Het Pierement” (1954 – 2004).
- Broeke, A. (1977b). Gebr. Decap. Deel 3 (slot) 1948-heden: de periode van de elektronische orgels en robotten. Het Pierement, 24(3). Geraadpleegd in Broeke, A. (2007). Het Belgische dansorgel: een compilatie van artikelen uit “Het Pierement” (1954 – 2004).
- Broeke, A. (1979). Arthur Bursens, een man die leeft voor z’n orgels. Het Pierement, 26(3). Geraadpleegd in Broeke, A. (2007). Het Belgische dansorgel: een compilatie van artikelen uit “Het Pierement” (1954 – 2004).
- ETWIE. (z.d.). Dansorgels en draaiorgels.
- Jacobs, M. (2007). Dansen op de wind: Mechanische amusementsmuziek van de tweede industriële revolutie. Mores, 8(3), 5 – 14.
- Jacobs, M., & Vercauteren, G. (2011, december). Decap & co gecapteerd in depot. E‑experiment van erfgoed(zorg)ontsluiting rond de topstukkencollectie Ghysels. faro 4(4), 37 – 43.
- Kring van Draaiorgelvrienden. (z.d.). Vereniging.
- Meijer, T. (z.d.). Historie — Muziek op straat: het draaiorgel. Draaiorgelmuseum Haarlem.
- Vanoutrive, P. (2015). Van draailier tot Decap: Het luisterrijke parcours van het dansorgel. EOS memo, 15, 44 – 49.
- Veldhoen, L. (2024, 5 december). Belgisch erfgoed: dansorgels van Decap en Mortier. Historiek.
- Witkamp, M. (2025, 9 december). Muziek maken uit karton. CEMPER.