Vanessa Peeters over het erfgoedproject rond de collectie Jop Pollmann
De collectie liedboeken van Jop Pollmann (1902-1972) werd in 2022 door de FARO-bibliotheek geschonken aan de erfgoedbibliotheek van het Koninklijk Conservatorium Brussel (KCB), School of Arts Erasmushogeschool Brussel. Daar wordt de collectie mede dankzij een projectsubsidie ontsloten, onderzocht, gewaardeerd, gedigitaliseerd en gevaloriseerd. Vanessa Peeters leidde dit project in goede banen. Eerder coördineerde ze al in dezelfde bibliotheek het project Bladmuziekcollectie van de Openbare Omroep (het BOO-project).
De Nederlandse volkskundige Jop Pollmann verzamelde volksliederen en liedboeken. Dat strookte helemaal met zijn engagement voor het Nederlandse volkslied. Pollmann wilde deze liedcultuur stimuleren bij de bevolking. Zijn engagement resulteerde onder meer in het uiterst succesvolle liedboek Nederlands volkslied (in co-auteurschap met Piet Tiggers, 1941 en vele drukken daarna) en het Nederlands Volksliedarchief. Het is dit archief dat aan de basis ligt van wat vandaag de uitstekende Nederlandse Liederenbank is.
De collectie liedboeken van Jop Pollmann kwam in 1981 terecht in het Centrum voor Vlaamse Volkscultuur (CVV) terwijl zijn archief in het Meertens Instituut bewaard werd. Het CVV werd wat later het Vlaams Centrum voor Volkscultuur (VCV). Het VCV was een steunpunt voor erfgoedverenigingen (onder meer heemkundige kringen).
In 2008 fuseerde het VCV samen met Culturele Biografie Vlaanderen (het steunpunt voor erfgoedinstellingen (musea, archiefinstellingen …)) tot FARO. De collectie Pollmann kwam zodoende in de bibliotheek van FARO terecht.
FARO droeg uiteindelijk in 2022 de collectie over aan de bibliotheek van het Koninklijk Conservatorium Brussel, School of Arts Erasmushogeschool Brussel. Daar komt de collectie terecht in een erkende erfgoedbibliotheek.
De zwerftocht van Pollmanns collectie in Vlaanderen
Pollmanns collectie liedboeken heeft in België al een heel traject afgelegd. Hoe kwam ze eigenlijk hier terecht en niet in Nederland?
“De erfgenamen hadden beslist om deze collectie te koop aan te bieden op een veiling. Professor Volkskunde Stefaan Top, die toen adviseur was van Rika De Backer-Van Ocken, minister van Cultuur, overtuigde haar om de collectie aan te schaffen voor het Centrum voor Vlaamse Volkscultuur. Er zijn nog foto’s in de collectie van de overdracht naar het CVV waarop weduwe Pollmann staat. Andere foto’s in de collectie moeten we nog identificeren. Die moeten we nog eens voorleggen aan een aantal onderzoekers; misschien herkennen zij nog wie erop staat.”
Het CVV werd het VCV, dat op zijn beurt opging in FARO. Door alle fusies en wijzigingen in missie en visie die dat met zich meebrengt, is de collectie Pollmann nooit echt ten volle gevaloriseerd.
“De collectie werd eertijds wel door Stefaan Top en zijn medewerkers geordend en geïnventariseerd. Ze hebben een onderverdeling gemaakt in een deel A, B, C en P. Die verwijzing hebben we in onze catalogus behouden. Deze indeling is waarschijnlijk gemaakt op basis van formaatplaatsing: A zijn de kleinste formaten … Maar waarom dit onderscheid is gemaakt, is ons nog niet helemaal duidelijk. P staat wellicht voor preciosa, oude drukken, maar daar staan ook boeken onder geklasseerd die strikt genomen geen oude drukken zijn (gedrukt voor 1801). Ook bij de andere onderverdelingen vinden we inconsistenties.
Hoe dan ook: de collectie bevat ruim 170 exemplaren preciosa, oude drukken van de 16de tot de 19de eeuw en 1200 nieuwe drukken (inclusief een 200-tal aanvullingen door het CVV). ”
De collectie is thans ontsloten in de catalogus van de conservatoriumbibliotheek.
Het protestantisme vs het volkslied
Hoe stelde Pollmann zijn collectie samen?
“We kunnen geen specifiek concept ontdekken: het lijkt erop dat Pollmann kocht wat hij vond in boekenwinkels, bij antiquaren of elders. Zowel wat preciosa als drukken uit de 19de of 20e eeuw betreft. Pollmann schreef in zijn aankopen vaak zijn naam en de prijs die hij ervoor betaald had.
Hij richtte zich niet op een niche: zolang het liederen bevatte, was het voor hem interessant. Zo bevat de collectie ook tal van liedboeken uit de protestantse hoek: psalmboeken en dergelijke. Dat was niet de gezindte van de rooms-katholieke Pollmann. Integendeel, hij weet de teloorgang van het volkslied uitdrukkelijk aan de opkomst van het protestantisme. Naast liederenboeken vinden we in zijn collectie ook mooie 19de-eeuwse uitgaven van komische toneelstukken uit Parijs met fraaie gravures.”
Samen met Piet Tiggers heeft Pollmann een zeer succesvolle bloemlezing van liederen uitgegeven: Nederlands volkslied (1941). Putte hij hiervoor uit zijn collectie?
“Wellicht wel. En hij had daarvoor ook al enkele zangbundels uitgegeven. En ook daar vinden we toch wel wat liederen terug in die bundels die we ook in zijn collectie vinden. We hebben ook nagekeken of liederen uit deze collectie ook te vinden zijn in de Nederlandse Liederenbank, waarvan hij de basis legde. En dat bleek wel degelijk het geval te zijn.”
Het bleef niet bij uitgeven; hij ging ook de hort op om kinderen en studenten te laten zingen.
“Zingen én dansen, want dat hoorde bij elkaar. We kunnen gelukkig een idee krijgen van hoe dat in zijn werk ging, want Pollmann hield veel schriftjes bij waarin hij nota’s maakte over zijn bezigheden. Ze bevatten een schat aan informatie met de nodige commentaar erbij. Het is een plezier om die te lezen: dat gaat dan over hoe vals de kinderen wel niet zingen, over het onthaal in de scholen dat al of niet te wensen overlaat, over zijn kompaan en goede vriend Piet Tiggels die hem vergezelde. Die schriftjes bevinden zich in zijn archief in het Meertens-instituut.
In tegenstelling tot sommige andere volkskundigen had Pollmann het niet zo begrepen op het stichtende, educatieve lied. Waar anderen in hun selectie censureerden of nieuwe liederen opnamen die aanmaanden tot matigheid, zuinigheid en andere deugden, deed Pollmann dat veel minder. Hij hield wel van humor in een lied.”
Wat was eigenlijk zijn concept van het volkslied?
“Zijn ideaal zijn de liederen uit de renaissance. Die liederen zijn het hoogtepunt en daarna is het allemaal minder geworden. Best wel opmerkelijk, want veel van die liederen situeren zich toch meer in een stedelijke, burgerlijke context dan in een volkse.”
Pollmanns collectie op het podium
Naast het catalogiseren, digitaliseren en de zorg voor de goede bewaring, hebben jullie ook een waarderingstraject rond de collectie opgezet.
“Uiteindelijk wisten we niet zo veel over de collectie toen die in het conservatorium aankwam. Het doel van die waardering was om voor onszelf te weten wat er nu precies in de collectie zit en of die collectie aanvullend is aan de collectie van de conservatoriumbibliotheek. Dat was het geval; de collectie Pollmann leverde bijna geen dubbele exemplaren op voor de bib. Ook met andere bibliotheken bleken de overlappingen veeleer beperkt; sommige exemplaren zijn zelfs uniek in de Belgische bibliotheken.
We hebben ook samengewerkt met de databanken voor oude drukken STCV en STCN om de collectie preciosa daar te registreren. Toen hebben we één moeite ook andere oude drukken uit het conservatorium aan deze databanken toegevoegd.
Een ander doel was om onze vakkennis rond oude boeken te verruimen. Hiertoe volgden we workshops rond boekverzorging en –conservatie. Waar nodig werden de boeken onder handen genomen. Ten slotte nodigden we tal van specialisten uit om hun kijk op de collectie te geven.
Een selectie van de boeken werd gedigitaliseerd. De bestanden hiervan zullen binnenkort instromen bij meemoo. Zij hadden eerder al de digitale bestanden van het BOO-project ontvangen.
Een klein deel van de collectie Pollmann werd gewied en herbestemd naar andere bibliotheken; dat waren publicaties die niets met volksliederen te maken hebben, maar over volkskundige thema’s gaan. Uit de eerste inventaris konden we opmaken dat die in feite niet tot de oorspronkelijke collectie behoorden. Zij werden later door het CVV en haar opvolgers aan de collectie toegevoegd. Ook Pollmann had boeken in zijn collectie die niets met volksliederen te maken hebben, maar die hebben we uiteraard niet herbestemd; zij maken integraal deel uit van deze collectie.”
Jullie willen de collectie ook bekend maken. Er is een webexpo gepland én een concertenreeks met liederen uit de collectie.
“Voor de webexpo hebben we een tiental specialisten, die we ook al bij de waardering betrokken hadden, een boek laten selecteren waarbij ze een kort tekstje hebben geschreven, onder anderen Steven Van Impe, Heleen Wyffels, Zanna van Loon, Hubert Meeus. Er zullen ook fragmenten te beluisteren zijn uit de concertreeks Oude liedekens, nieuwe stemmen.
Die concerten werden verzorgd worden door zangeres Helena Schoeters en haar man componist Osama Abdulrasol, samen met Tom Theuns, een gitarist uit de folkwereld. Helena en Osama doken in de collectie en hebben daar een selectie gemaakt. Zij hebben die liederen naar hun hand gezet: van sommige liederen was er allen maar tekst, soms waren het contrafacten maar was de melodie niet zo interessant. Er waren zowel nieuwe composities als meer traditionele uitvoeringen.”
Ook interessant
Erfgoedcel Brussel: Muziek en podiumkunsten als levend immaterieel erfgoed
Zeven nieuwe borgingspraktijken op het Register van Inspirerende Voorbeelden
De poesje speelt verder