Het vastleggen en doorgeven van Vlaamse muziektradities
Volksmuziek is altijd in beweging geweest. Melodieën werden mondeling doorgegeven, aangepast aan de plaats en het moment. Omdat ze zelden werden genoteerd, dreigde een groot deel van dit repertoire verloren te gaan. Dankzij enkele mensen, zoals Hubert Boone, is veel muziek wel gedocumenteerd.
Hubert Boone is muzikant, onderzoeker en publicist. Met geduld en toewijding ging hij op zoek naar melodieën die vooral leefden binnen de traditie van harmonieën en fanfares. Hij sprak met muzikanten, noteerde zorgvuldig hun dansrepertoire en gaf deze muziek door. Daarbij richtte hij zich in het bijzonder op de dansmelodieën die door de orkesten van deze verenigingen werden gespeeld.
Boone verzamelde, publiceerde én bracht en brengt deze muziek ook terug op het podium. Vandaag beschikken we daardoor over een rijke verzameling aan documenten, notaties en instrumenten die de muziek, dansen en liederen uit Vlaanderen zichtbaar en hoorbaar maken. In dit artikel gaan we in op de zoektocht van Hubert Boone naar melodieën, de verhalen achter zijn verzameling en de impact die zijn werk vandaag nog heeft.
Van fanfare naar conservatorium en muziekinstrumentenmuseum
Hubert Boones muziekcarrière begon op zijn twaalfde in de fanfare van zijn dorp, Nederokkerzeel, waar hij kornet speelde. Daar leerde hij niet alleen noten lezen, maar ook luisteren naar muziek die mondeling werd doorgegeven. “Iedere fanfare had zo’n paar muzikanten die, als de dirigent weg was, dansmelodieën begonnen te spelen. Walsen en polka’s die al generaties meegingen”, vertelt hij. In 1953 mocht hij voor het eerst enkele stukken meespelen met de oudere muzikanten.
Daarnaast volgde hij lessen aan de muziekacademie van Schaarbeek. Van 1956 tot 1963 studeerde hij aan het Conservatorium van Brussel, eerst trompet en later altviool. Daar merkte hij hoe uitzonderlijk zijn belangstelling voor volksmuziek was. Terwijl zijn docenten vooral aandacht hadden voor componisten als Béla Bartók, bleef Boone trouw aan het lokale repertoire. “Bij Victor Legee (harmonie) moesten wij alles weten van Bartók. Ik zei dat ik bezig was met Brabantse volksmuziek, en uiteindelijk begreep hij het pas toen hij een concert hoorde. Voor Franz Wangermée (trompet) was dat niet speciaal, hij vond dat heel tof. Ik kwam wel uit een andere wereld, dat was duidelijk, maar ik heb mij daar nooit slechter door gevoeld.”
Na zijn studies werkte hij in de opera van Antwerpen en vervolgens 33 jaar in het Brusselse Muziekinstrumentenmuseum (MIM). Daar publiceerde hij over traditionele instrumenten zoals de hommel en de doedelzak. Deze boeken gelden vandaag als referentiewerken.
Verzamelen: op zoek naar dorpsmuzikanten
Naast zijn museumwerk ontwikkelde Hubert Boone een eigen onderzoekspraktijk: het verzamelen van volksmuziek. Niet vanuit een officiële opdracht, maar uit persoonlijke overtuiging. “Ik voelde mij een beetje verplicht. Niemand was daarmee bezig. En ik wist: als ik het niet opschrijf, gaat het verloren.”
Vanaf 1965 trok hij door Vlaams-Brabant en de Kempen. In de periode van 1965 tot 1990 waren er nog tientallen dorpsmuzikanten actief die hun kennis konden doorgeven. Hij bezocht deze dorpsmuzikanten thuis, luisterde aandachtig, schreef melodieën op en maakte — waar mogelijk — opnames met een Nagra of later een DAT-apparaat. Toch bleef zijn methode vooral gebaseerd op met de hand noteren wat hij hoorde, een discipline die een scherp muzikaal gehoor vereiste. Zijn conservatoriumopleiding gaf hem daarvoor de nodige bagage: hij herkende onderliggende akkoorden, vingerzettingen en kleine variaties die anderen misschien niet zouden opvallen. Ook de ervaring in de fanfare hielp: “De eerste keer dat ik mee mocht spelen met de kernmuzikanten van de fanfare, mocht ik enkel de begeleiding doen. Zo leer je welke akkoorden werken. Niet geschreven, maar gehoord. Dat moet je leren door samen te spelen.” Doordat hij zelf kornet, trompet en altviool speelde, begreep hij ook waarom muzikanten een stuk op een bepaalde manier uitvoerden, vaak ingegeven door de specifieke mogelijkheden en beperkingen van een instrument.
Hubert toont een foto van Jef Buelens: “Dat was mijn gebuur, daar heb ik heel wat melodieën opgetekend. Dat was mijn eerste belangrijke informant. Ik noteerde wat hij speelde met zijn hulp: ‘Is het zo juist?’ Een hele goede muzikant die bij de fanfare speelde. En met zijn bekendste polka, die hij het meeste speelde, daarmee heb ik in het conservatorium mijn ingangsexamen gedaan op trompet. Er werd met open mond naar gekeken en geluisterd. Ze zeiden: ‘Wat gebeurt er nu?’”
Een volgende foto toont Emiel Van den Bruel: “Dat is één van mijn belangrijkste vondsten geweest. Van de oude generatie was Emiel Van den Bruel de beste hommelspeler. Ik heb hem kunnen opnemen, ik heb een foto kunnen nemen, maar niet zoals ik wou want hij moest van zijn vrouw een wit hemd aandoen en een plastron voor de foto. Hij is ook mee naar de studio geweest in Gent waar we opnames hebben gemaakt voor een langspeelplaat.” In de lente van 1969 konden Hubert Boone en Egide Vissenaekens een aantal volksmuzikanten van de oude generatie overhalen om een studio-opname te maken van hun repertoire. Ze werden door de auteurs opgehaald en naar studio GST (Gilbert Steurbaut) in Gent gebracht. Hetzelfde jaar verscheen bij Leman & Gorlé in Brussel de LP Etnische Instrumentale Muziek uit de Brabantse Gewesten, Alpha 5005 – Stereo en Mono. Op de hoes staat een foto van omstreeks 1920 van de trawantel (stokkendans), vermoedelijk uitgevoerd door de Sint-Sebastiaansgilde van Westerlo. In BCM (Brabants Centrum voor Muziektradities) is de hommel van Emiel Van den Bruel te zien. Het was voor Boone heel belangrijk om zo’n instrument te hebben. Hij had er nog geen. Hij maakte het instrument daarom na met zijn vader, die schrijnwerker was en ruilde dit nieuwe exemplaar met de hommel van Van den Bruel.
De Henegouwse herder Alphonse Gheux (1850 – 1936) werd in 1885 gefotografeerd in Ronse, toen hij de delegatie van Saint-Sauveur begeleidde in de Fiertelprocessie. De ontdekking van deze foto in 1967 en van twee doedelzakken uit Arc-Ainières (uit de collectie van het MIM) bracht kort daarop de doedelzakherleving in België op gang. Boone was bezig met zijn monografie over de hommel toen hij Gheux’ familie ontmoette. Zij schonken hem de foto, die vandaag de enige gekende afbeelding is van een originele doedelzakspeler uit die tijd in België. De originele foto bevindt zich nu in het MIM.
Analyseren: variatie als kern van traditie
Wat Hubert Boone bijzonder boeide, was de variatie in de melodieën. Eenzelfde melodie klonk nooit twee keer helemaal hetzelfde. Van dorp tot dorp, van muzikant tot muzikant ontstonden nuances in ritme, toonhoogte of frasering. “De melodie van Jan Smed heb ik in tien verschillende versies genoteerd. Telkens herkenbaar, en toch telkens anders.” Voor Hubert Boone is dit geen verstoring van de traditie, maar juist haar essentie. Volksmuziek is geen vaststaand gegeven, maar een levende praktijk waarin variatie en aanpassing een centrale rol spelen.
Publiceren: bundels en boeken
De melodieën die Boone verzamelde verdwenen niet in een lade, maar werden gedeeld in publicaties. Samen met dansspecialist Renaat van Craenenbroeck (1937 – 2001) startte hij in de jaren zestig een onderzoek naar traditionele volksdansen. Ze gingen tientallen dorpen af in Vlaams-Brabant en de Kempen, op zoek naar dansen die ooit door schuttersgilden en muziekmaatschappijen werden uitgevoerd.
In 1968 verscheen de bundel Dansen uit Midden-Brabant, uitgegeven door het Vlaams Dansarchief. Boone bleef dorpen afschuimen en muziek noteren. Later volgden werken als Traditionele Vlaamse volksliederen en dansen (2003, uitgeverij Peeters) en Brabantse danstradities (met cd-opnamen van Limbrant).
In deze bundels staan honderden melodieën: polka’s, schottischen, walsen, mazurka’s en kadrils, maar ook kleine dansen zoals Mieke stout, Jan Smed en Streep. Hubert Boone documenteerde bovendien de zeldzame verhuisliederen (overhalen) van pachters en meiden in de Kempen en het Hageland, zoals het lied Rozenland, dat hij optekende in Veerle.
Spelen en beleven: muziek terug naar het podium
Voor Boone was noteren slechts één stap. Even belangrijk vond hij het opnieuw laten klinken van de muziek. Daarom richtte hij verschillende groepen op:
- De Vlier (1968): een volksdansgroep en orkest dat repertoire uit Vlaams-Brabant en de Kempen bracht. De groep bracht meerdere langspeelplaten uit.
- Brabants Volksorkest (BVO) (1978): speelde vooral Hubert Boones verzameld repertoire, trad ook internationaal op en bestaat nog steeds onder muzikale leiding van Jos Debraekeleer.
- Polka Galop (1988): een jeugdensemble dat ontstond in een tijd waarin de Vlaamse folkscene grondig veranderde. Nieuwe groepen lieten zich toen inspireren door buitenlandse tradities uit Centraal-Frankrijk, Ierland, Bretagne, Scandinavië of de Balkan. Ze kozen vaak voor instrumenten zoals draailier, doedelzak, hommel en diatonisch accordeon. Deze pasten goed bij de ‘pan-Europese’ stijl, maar minder bij het meerstemmige en modulatie-rijke Vlaamse repertoire. Volgens Hubert Boone raakten daardoor de Brabantse muziektradities steeds meer op de achtergrond. Hij wilde daar iets tegenover zetten en startte Polka Galop: een groep met negen jonge Brabantse muzikanten, geboren in de tweede helft van de jaren 70. Hun repertoire bestond grotendeels uit traditionele dansmuziek, uitgevoerd met een bezetting die koperblazers combineerde met snaar- en houtinstrumenten. Dat gaf een bijzondere, authentieke klankkleur die herinnerde aan de vroegere dansorkesten. Toch kreeg de groep weinig (media-)aandacht. Polka Galop heeft maar kort bestaan.
- Limbrant (2000): speelt vooral traditionele, instrumentale Vlaamse (en Belgische) volksmuziek, waaronder ook veel dansmelodieën. Hubert Boone is in deze groep nog actief is als violist.
Via deze groepen kreeg het publiek opnieuw toegang tot Vlaamse volksmuziek die bijna nergens meer te horen was.
Naast het doorgeven van de muziek via deze groepen, werkte Hubert Boone ook regelmatig in scholen, met projecten rond volksdansen en vingerkleppers. Hij wilde kinderen zo de lokale tradities meegeven en hen ritmisch bewust maken: “Zodat ze meer horen dan alleen K3.” Het succes hing volgens hem vooral af van de motivatie van de leerkrachten: “Als de leraar niet mee wil, is het moeilijk.” Zijn aanpak bleef altijd laagdrempelig en participatief.
Internationale inspiratie
Hoewel zijn focus op Brabantse muziektradities lag, keek Boone ook verder. Op wereldtentoonstellingen en congressen ontdekte hij muziek uit Spanje, Rusland en de Balkan. Via lokale etnografen en musicologen kwam hij in contact met muzikanten van dansgroepen in landelijke regio’s, waar de tradities vaak nog springlevend waren. Tijdens ‘muziekexpedities’, zoals hij ze zelf noemt, maakte hij opnames in onder meer Rusland, Armenië en Oekraïne. Een Franse firma sponsorde de reiskosten voor die expedities met de bedoeling de opnames later op cd uit te geven.
In 1996 maakte Hubert Boone bijvoorbeeld een muziekexpeditie in Armenië, voorbereid door zijn vriend Arthur Nersissian, zoon van componist Katchatur Nersissian. Het project kreeg steun van de Armeense Vereniging voor Culturele Betrekkingen met het Buitenland. Opnamen vonden plaats met medewerking van musicologe Margarit Broetian. Uit de opnamen werd een selectie uitgebracht op de cd Traditions of Armenia (Music & Words, 1998, i.s.m. Dranouter Folkfestival). Het boekje bevat een tekst van Broetian (bewerkt door Wim Bosmans), informatie over de muziek en een tekening van de instrumenten.
Hubert Boone bewaart aan alle expedities warme herinneringen. “Wat ik in mijn dorp hoorde, maakte deel uit van een groter geheel”, concludeerde hij. Die internationale blik hielp hem om het Vlaamse repertoire in een ruimer kader te plaatsen en beter te begrijpen hoe tradities zich ontwikkelen en beïnvloeden.
Een collectie voor de toekomst
In 2010 schonk Hubert Boone zijn collectie aan de gemeente Kampenhout. Verkoop aan een geïnteresseerde was ook een te overwegen optie, maar hij koos bewust voor een schenking, op voorwaarde dat de collectie een volwaardige plaats zou krijgen.
De collectie bestaat uit drie onderdelen:
- Bibliotheek: Ongeveer 1450 boeken over Belgische en internationale volksmuziek (vooral Oost-Europa en de voormalige Sovjet-Unie), volksdans, folklore en volkskunde. Ze bevat ook zeldzame publicaties, zoals vroege werken van Béla Bartók. De collectie wordt momenteel systematisch geregistreerd door de gemeentebibliotheek in samenwerking met meemoo.
- Instrumentencollectie: 57 geregistreerde instrumenten, allemaal van Belgische herkomst. Het gaat onder meer om hommels, accordeons, doedelzakken, blaasinstrumenten en kalenderinstrumenten zoals ratels en kleppers. Boone vertelt met humor: “Ik kan u met fierheid zeggen dat we de lelijkste hommels van de wereld hebben.” Veel instrumenten kreeg hij cadeau, andere ruilde hij door zelf instrumenten te bouwen, en slechts een klein deel kocht hij. Elk instrument draagt een stukje volksmuziekgeschiedenis in zich. Hubert Boone schreef de begeleidende teksten voor de tentoonstelling.
- Archief: Handgeschreven notities van melodieën, foto’s en documenten.
De schenking werd enthousiast onthaald door toenmalige burgemeester Jean Meeus en schepen van Cultuur Gwenny De Vroe. De collectie kreeg eerst een plaats in Villa Lucie, verhuisde later, en bevindt zich nu in Cultuur- en Beleefcentrum De Krop in Kampenhout, waar een permanente tentoonstelling werd ingericht. Ook de bibliotheek is er te raadplegen. Boone is heel gelukkig met de werking, maar blijft ook kritisch: “Nu is het goed, maar het is te klein. En hoe het verder evolueert, weet ik niet. Je moet het ergens wel loslaten, al kan ik dat ook nooit helemaal. Het is mijn levenswerk.”
Het Brabants Centrum voor Muziektradities
Uit de schenking groeide het Brabants Centrum voor Muziektradities (BCM). Het centrum wordt gedragen door vrijwilligers — onder wie collega Wim Bosmans en leden van de lokale heemkundige kring — en organiseert tentoonstellingen, activiteiten en een jaarlijks feest. Het bewaart niet alleen Hubert Boones collectie, maar wil ook de muzikale tradities van de regio levend houden.
Zoals veel kleine musea kampt het BCM met praktische problemen: de lucht is te droog, er is geen bevochtigingsapparatuur, sommige kaartjes staan verkeerd. Boone volgt dat alles nauwgezet op. “In het MIM werken drie, vier mensen voltijds in het atelier om alles te onderhouden. Hier is dat niet zo.” Hij pleitte ervoor om minstens één dag per jaar expertise vanuit Brussel te laten overkomen om de collectie na te kijken. Hoewel de collectie nu eigendom is van de gemeente, blijft Boone betrokken en deelt hij graag zijn kennis bij bezoeken van geïnteresseerden. Vrijwilligers die in BCM actief zijn, hebben vaak niet alle benodigde kennis: “Het probleem met ouder worden,” merkt Hubert Boone op, “is dat je van alles aan het vertellen bent waar de ander niks van afweet. Je zou je leven moeten kunnen doorspelen naar anderen en dat ze daar het beste uitpikken, maar de wereld zit zo niet in elkaar.”
Elk jaar, op de eerste zondag van maart, organiseert het BCM een evenement waar zowel traditionele als hedendaagse groepen optreden, waaronder Limbrant, de groep van Hubert Boone. Het slot is steeds een groot folkbal. In 2026 zal een lokale groep een tiental nummers uit Boones bundel Dansmelodieën spelen — een mooi voorbeeld van hoe zijn werk nog steeds leeft op het podium.
Beperkingen en uitdagingen
Ondanks zijn inspanningen merkte Hubert Boone dat veel jonge folkmuzikanten het repertoire dat hij verzamelde nauwelijks spelen. Nieuwe generaties lieten en laten zich vaak inspireren door muziek uit Scandinavië, de Balkan of Ierland, waar de tradities zichtbaarder waren en beter aansloten bij de internationale folkrevival.
Die verschuiving werd vooral in de jaren negentig duidelijk. Nieuwe ensembles kozen voor een instrumentarium dat beter aansloot bij buitenlandse stijlen dan bij de lokale traditie. Bourdoninstrumenten zoals draailier, doedelzak en diatonisch accordeon waren populair, maar beperkten de mogelijkheden om de Vlaamse instrumentale muziek – die vaak vierstemmig, modulatie-rijk en dynamisch gestructureerd is – uit te voeren. Daardoor werden buitenlandse melodieën, vooral Franse dansen met eenvoudige structuren, al snel de norm in de folkscene.
Volgens Boone heeft dit meerdere oorzaken. Veel muzikanten kennen het Vlaamse repertoire eenvoudigweg niet, of vinden het minder spannend dan buitenlandse stijlen. Sommigen hebben weinig interesse in wat er in het verleden gebeurde en volgen liever hun eigen pad. Hubert Boone bekijkt dat zonder wrok: “Op zich heb ik daar geen probleem mee. Maar ik weet dat er in dit repertoire evenwaardige muziek zit.” Tegelijk wijst hij erop dat het repertoire ook aangepast kan worden aan nieuwe instrumenten.
Er speelt bovendien, volgens Hubert Boone, een politieke dimensie mee. In landen als Bretagne, Baskenland, Kroatië of Hongarije krijgt volksmuziek vaak steun vanuit nationalistische bewegingen. In Vlaanderen ligt dat anders: omdat volksmuziek en volksdans met nationalisme geassocieerd kunnen worden, hangt er soms een negatief imago rond. Hubert Boone benadrukt: “Ik wil niks met die politieke connotatie te maken hebben.” Hij zou graag zien dat de muziek ook los van politiek gewaardeerd kan worden. Hij weet dat er organisaties zijn die BVO of Limbrant nooit zouden uitnodigen, “omdat het Vlaams is, van eigen bodem.”
Erfgoed als plicht én passie
Het verhaal van Hubert Boone toont hoe het vastleggen en doorgeven van muziektradities een mengeling is van liefde voor muziek, vakmanschap en plichtsbesef. Zijn werk maakt duidelijk dat traditie niet vanzelfsprekend bewaard blijft, maar inzet vraagt: luisteren, noteren, analyseren, publiceren, spelen en archiveren.
Op 85-jarige leeftijd zegt hij: “Je gaat ermee naar bed en je staat ermee op.” Zijn passie voor volksmuziek loopt als een rode draad door zijn leven. Dankzij zijn werk beschikken onderzoekers, muzikanten en gemeenschappen vandaag over een rijk archief dat niet alleen bewaard is, maar ook tot leven gewekt kan worden.
Ook interessant
Haha humor: van variété tot cabaret | Erfgoeddag 2026
Soundwest: Aan de slag met je muziekarchief?
Zeven generaties in archiefdozen: het nalatenschapsproject van Circus Ronaldo