Een stem uit Aleppo
“Ik geef een zin, de leerling luistert en herhaalt. Er is geen partituur, geen instrument. Alleen de stem en het oor.”
CEMPER ging in gesprek met Khaled Alhafez, zanger van het collectief JAWA. Hij draagt een eeuwenoude zangtraditie uit Aleppo met zich mee en zet zich in Europa in om dit uitsluitend mondeling overgeleverde repertoire levendig te houden. Wat hij in Syrië leerde, geeft hij vandaag door in workshops, concerten en via JAWA.
JAWA, de herinnering aan Aleppo
Khaled Alhafez werd geboren in Aleppo, Syrië, en groeide er op in een omgeving waar muziek van jongs af aan aanwezig was. Hij genoot een muzikale opleiding en specialiseerde zich in de muwashshahat, een zangtraditie die nauw verbonden is met de soefitraditie van Aleppo. Het is een zangvorm die puur bestaat in orale overlevering. Later werd hij leraar in diezelfde zangvorm en verhuisde naar Damascus, waar hij lesgaf aan het conservatorium.
In de jaren die volgden, nam Khaled deel aan tal van muzikale activiteiten en festivals in Syrië, Turkije en andere landen van de Arabische wereld. In 2013 verliet hij zijn land en hij voelt zich sindsdien — in zijn eigen woorden — “displaced” ofwel ontworteld.
Het verlies van zijn thuis en de verwoesting van de Syrische steden drukken zwaar, maar tegelijk groeide zijn overtuiging om het muzikale erfgoed dat hij meedroeg te blijven uitdragen. Hij besloot daarom die ervaring om te zetten in het doorgeven van wat hij geleerd heeft. Sindsdien geeft hij workshops en concerten in verschillende Europese landen, maar ook in Noord-Amerika.
Met die drijfveer richtte hij in België JAWA op. Dit project bouwt voort op eerdere initiatieven die hij in Syrië begon, zoals Ramal en Nawa, en heeft hetzelfde doel: het bewaren en delen van oude zangstukken uit Aleppo, de muwashshahat, die bijna uit het collectieve geheugen verdwijnen. Veel van deze liederen zijn nooit genoteerd of opgenomen en worden enkel levend gehouden via mondelinge overdracht, van leraar op leerling.
“JAWA is een project om oude stukken te bewaren, door te geven en het stof eraf te blazen”, zegt Khaled. “Vele liederen verdwijnen op dezelfde manier als de Syrische steden. Ik wil ze opnieuw laten klinken, in een iets modernere vorm, maar met behoud van de oude ziel van de muziek.”
JAWA wil deze muzikale zangtraditie dus niet alleen bewaren, maar ook opnieuw hoorbaar maken voor een hedendaags publiek. De groep brengt de oude composities in een vorm die trouw blijft aan de oorspronkelijke zangstijl, maar tegelijk openstaat voor een moderne uitvoering.
De kracht van de mondelinge overdracht
Voor Khaled is zingen altijd ook luisteren geweest. De muwashshahat, het repertoire waarin hij is opgeleid, wordt al eeuwenlang van meester op leerling doorgegeven. Geen boeken, geen notenschrift – alleen stem, oor en geheugen. Het is een relatie die tijd, vertrouwen en discipline vraagt.
Volgens Khaled is deze manier van leren vergelijkbaar met de structuur van het soefisme, waar kennis altijd persoonlijk wordt doorgegeven. Hij verwijst naar de Takiyya al-Mawlawiyya in Aleppo, een religieus en educatief centrum van de Mawlawiyya soefi-orde die al meer dan vijfhonderd jaar bestaat. Hier wordt tot op vandaag de muziek nog steeds op de traditionele manier onderwezen. Opnames of partituren zijn er niet toegestaan; leerlingen leren door te luisteren en te herhalen, zonder schriftelijke of visuele hulp.
Niet iedereen wordt zomaar toegelaten in deze school. De meesters kiezen hun leerlingen zorgvuldig. Alleen wie zij beschouwen als geschikt om de traditie zuiver voort te zetten, krijgt toegang. Wie eenmaal is toegelaten, moet de composities nauwkeurig bewaren en mag er niets aan toevoegen of veranderen.
“Ze vragen dat wie leert niets toevoegt of verandert. Dat geldt voor zowel melodie, als ritme”, zegt Khaled. “Alles blijft zoals het is, bewaard door het oor.”
Wie wordt toegelaten, leert niet alleen de melodieën, maar ook de omgang met de plaats zelf. Studenten wonen de rituelen bij, zingen mee tijdens de bijeenkomsten en dragen zo bij aan het voortbestaan van de Takiyya al-Mawlawiyya. Leren is er geen individuele oefening, maar een gezamenlijke praktijk waarin muziek, toewijding en gemeenschap samenvallen.
Ook toen hij zelf les begon te geven aan het conservatorium van Damascus, bleef hij die methode trouw. Waar de meesten met notenschrift werkten, koos hij voor directe overdracht: zingen, luisteren, nazingen.
“Er is geen partituur, ook geen begeleidend instrument”, zegt hij. “Ik geef de zin, de leerling luistert en herhaalt. Dat is precies hoe ik het zelf geleerd heb.”
Ook vandaag past hij dezelfde werkwijze toe in Europa. In zijn lessen, workshops en online sessies leert hij studenten in binnen- en buitenland op gehoor zingen. De technologie die de lessen mogelijk maakt is nieuw, maar de essentie blijft dezelfde: een oefening in luisteren, aandacht en overgave. Zo zet Khaled een eeuwenoude leerwijze verder, maar in een hedendaagse context.
Wanneer hij in Europa lesgeeft, werkt Khaled met studenten van uiteenlopende achtergronden. Niet iedereen kent de Arabische muziek of het soefisme. “Ik heb iets te delen,” zegt hij, “en wie nieuwsgierig is, is welkom.” Hij legt geen al te hoge toelatingseisen op, al heeft hij liever dat leerlingen enige muzikale ervaring of stemgevoel meebrengen. De bedoeling is niet om specialisten te vormen, maar om de muziek bekend te maken en door te geven.
In zijn lessen maakt hij onderscheid tussen fysiek aanwezig zijn of online. Tijdens lessen in België besteedt hij meer aandacht aan uitspraak en techniek; online werkt hij iets vrijer, maar altijd op het gehoor. Hij kiest de stukken volgens het niveau van de student.
Van Aleppo tot Brussel: erfgoed in beweging
Voor Khaled is zijn muziek de drager tussen zijn verleden en zijn heden. Wat hij in Aleppo leerde, verspreidt hij vandaag verder in België en ver daarbuiten. “Ik voelde dat ik dit moest blijven delen”, zegt hij. “Dat is mijn verantwoordelijkheid tegenover de zangtraditie die ik heb geleerd.”
Lesgeven en optreden zijn voor hem manieren om die erfenis levend te houden. In elke repetitie en elk concert probeert hij de oude zangvormen te bewaren, maar ook te laten ademen in een nieuwe omgeving. Hij wil trouw blijven aan de leer van zijn meesters, maar tegelijk aansluiting vinden bij het publiek van vandaag. “De ziel van de muziek moet voelbaar blijven”, zegt hij. “Ook als mensen de taal niet verstaan.”
Die houding vraagt een voortdurend evenwicht tussen respect voor de essentie van de traditie en vernieuwing. De muwashshahat behoren tot het muzikale erfgoed van Aleppo en maken deel uit van de bredere soefitraditie, maar het project JAWA plaatst die liederen in een hedendaagse, voornamelijk Europese context. Khaled omschrijft het zelf als “soefi in vorm, maar niet volledig soefi in inhoud”. Binnen het repertoire van de groep bestaan zowel spirituele als romantische stukken. Dezelfde melodieën die ooit in gebedskringen werden gezongen, krijgen op het podium een andere betekenis, maar behouden hun intensiteit. “Sommige liederen spreken over de liefde tot God, andere over menselijke liefde”, legt hij uit. “Beide kunnen spiritueel zijn, afhankelijk van hoe je luistert.”
Op het podium zoekt hij een manier om die lagen te verbinden. De concertzaal is geen gebedsruimte zoals in de Takiyya, maar wel een plek waar concentratie en toewijding voelbaar kunnen worden. “Ik probeer de essentie te bewaren,” zegt hij, “maar ik pas me aan aan de plek waar ik zing.”
Waar de muziek vroeger binnen een besloten gemeenschap werd doorgegeven, bereikt ze nu een publiek van uiteenlopende achtergronden. Voor Khaled is dat geen breuk, maar een uitbreiding. Zijn werk laat zien dat traditie geen stilstaand gegeven is.
Tussen herkenning en verrassing: het Europese publiek
Wanneer JAWA optreedt voor een Europees publiek, doet Khaled meer dan zingen. Hij presenteert muziek die voor veel luisteraars onbekend is, met andere toonladders, ritmes en poëtische vormen dan ze gewend zijn. Toch wil hij die afstand niet overbruggen met uitleg alleen. “We proberen het oor van het publiek stap voor stap te openen”, vertelt hij. “Sommige toonladders klinken voor Europese oren zwaar of vreemd. Door te variëren tussen herkenning en verrassing houden we de aandacht vast.”
Elk concert heeft een zorgvuldige opbouw. JAWA begint met een instrumentaal stuk, gevolgd door zang in dezelfde maqām – de modale toonladder van de Arabische muziek. Daarna neemt Khaled even het woord. Hij legt in grote lijnen uit welke stukken volgen, wat hun stemming is en wat de teksten betekenen. “We zeggen: dit is een tekst over goddelijke liefde, of dit gaat over romantische liefde”, vertelt hij. “Zo weten mensen wat ze horen, maar we overladen hen niet met uitleg.”
Tijdens een optreden wisselen langzame en snelle ritmes elkaar af. Khaled kiest bewust voor een mengeling van klassieke oosterse maqāmāt en toonladders die dichter aanleunen bij het westerse gehoor. Zo bouwt hij een spanningsboog waarin vertrouwdheid en ontdekking elkaar afwisselen.
“De Europese luisteraar is nieuwsgierig”, zegt hij. “Ze staan open voor wat ze niet kennen. Na het concert komen mensen vaak met vragen over de poëzie of de betekenis van de woorden.”
Een bijzonder element in de concerten is de aanwezigheid van een derwishdanser. Khaled noemt dit een visuele vertaling van de spirituele dimensie van de muziek. Hij legt uit dat de zwarte mantel van de danser het aardse leven symboliseert, met zijn lasten en vergankelijkheid. Wanneer de danser de mantel afwerpt en in witte kledij verder draait, beeldt dat de overgang uit van de wereld naar het goddelijke. “Het is geen dans in de letterlijke zin”, zegt hij. “Het is een cirkel, zoals de planeten rond de zon draaien. Die beweging brengt het publiek in een andere sfeer.”
De derwishdans verwijst naar de traditie van de Mawlawiyya-orde uit Konya, verbonden met de dichter Jalal al-Din Rumi. Voor Khaled is het een manier om de soefi-filosofie tastbaar te maken, zonder ze te verklaren. “De muziek vertelt”, zegt hij. “De dans maakt het zichtbaar.”
Op het podium komt zo een gelaagd beeld tot leven: stem en lichaam, geluid en beweging, oud en nieuw.
Toekomst en veiligstellen
Wanneer hij over de toekomst spreekt, richt Khaled zich op één duidelijk doel. “Ik probeer al drie jaar steun te vinden voor een project om vierhonderd oude stukken vast te leggen”, zegt hij. “Sommige zijn meer dan driehonderd jaar oud. Ik hoop dat ze opnieuw tot leven komen, dat mensen ze kunnen horen en leren kennen. Ze zijn te waardevol om te verdwijnen. Mijn wens is om dit erfgoed zo veel mogelijk op te tillen.”
Dit documenteren is voor hem geen nostalgisch streven, maar een manier om de muziek een toekomst te geven. Hij wil dat de stukken niet enkel als herinnering voortleven, maar opnieuw klinken in de stemmen van nieuwe generaties.
Khaled en zijn project JAWA laten zien hoe een zangtraditie met lange geschiedenis de afstand tussen tijden en plaatsen kan overbruggen. Wat ooit in Aleppo van stem tot stem werd doorgegeven, vindt vandaag nieuwe oren en stemmen in Europa.
Dit praktijkvoorbeeld maakt deel uit van de CEMPER-reeks over muziek en podiumkunsten tussen culturen. In 2025 en 2026 interviewt CEMPER verschillende beoefenaars binnen de muziek en podiumkunsten die actief zijn in de overdracht van erfgoed tussen culturele contexten.
Als afsluiter organiseren we een uitwisselingsmoment waarbij erfgoeddragers die zich bewegen tussen twee culturen met elkaar in gesprek gaan. Ze delen hun ervaringen over werken binnen én tussen verschillende contexten, over het spanningsveld tussen traditie en vernieuwing, over overdracht, documentatie en nog veel meer.
Ben je geïnteresseerd om deel te nemen of op de hoogte te blijven? Neem dan zeker contact met ons op!
Ook interessant
Haha humor: commedia dell’arte in theater en circus | Erfgoeddag 2026
CEMPER op studietrip naar Keulen: inspiratie voor een dansarchief in Vlaanderen
Muziekcollecties en –archieven beschrijven in Archiefbank