Met handschriften gaat men erg voorzichtig om. Ze worden bewaard in een aangepaste omgeving en worden liefst zo weinig mogelijk geraadpleegd. Ze zijn soms kwetsbaar en vaak kostbaar.
Vroeger behandelde men handgeschreven muziek niet altijd met dezelfde zorg als wij nu doen. Lange tijd musiceerde men meestal vanuit handgeschreven partituren (apografen), omdat het drukken van muziek erg duur was. Als je een exemplaar wou, kon je dat dus het best (laten) overschrijven. Veel handschriften zijn in de loop der tijd gewoon verdwenen omdat ze versleten waren. Dikwijls zijn ze na gebruik gewoon weggegooid.
Voor hedendaagse muzikanten zijn manuscripten niet altijd bruikbaar omdat bijvoorbeeld het handschrift van de componist of kopiist quasi onleesbaar is. En vaak is er van de compositie intussen al een uitgave in druk beschikbaar die makkelijker leesbaar is dan het origineel.
Toch zijn er een aantal goede redenen om oude handschriften niet zomaar weg te gooien. Op het moment dat een compositie eindelijk voltooid was, had de componist vaak al een lang proces van schetsen, doorhalingen, aantekeningen en correcties achter de rug. Oude handschriften kunnen ons dus vaak meer leren over de ontstaansgeschiedenis van een werk, hoe het precies tot stand gekomen is, welke fasen het werk doorlopen heeft, de werkwijze van de componist, enz.
Daarnaast zijn latere apografen of gedrukte uitgaven niet altijd even betrouwbaar. Musici en dirigenten die een kopie of gedrukte versie maakten van een origineel handschrift voegden soms zonder aarzelen allerlei extra aantekeningen toe in de partituur om de uitvoering goed te kunnen voorbereiden. Of ze voegden hun eigen inzichten toe. Ze dachten soms ‘schrijffouten’ of foute noten te zien in de originelen en ‘verbeterden’ die, of ze voegden vingerzettingen en aanduidingen voor dynamiek en tempo toe.
De verschillen tussen originele manuscripten en gedrukte uitgaven kunnen daardoor erg groot zijn. Maar dat kan je enkel zien als je nog kan beschikken over de originelen.
Verder spelen de oorspronkelijke handschriften ook een grote rol in het documenteren van een uitvoeringspraktijk. Hoe we naar muziek kijken, is in elke periode anders. En ook het beeld dat we hebben van hoe muziek uitgevoerd ‘moet’ worden evolueert. Na de Tweede Wereldoorlog is er een beweging op gang gekomen waarbij men de muziek opnieuw wenst uit te voeren zoals de componist het ooit bedoelde. En ook in die zin is het handig te kunnen terugkeren naar de originele documenten.
Maar ook gedrukte bladmuziek kan interessant zijn. Van pakweg de symfonieën van Beethoven of de orkestsuites van Bach zijn veel gedrukte exemplaren in omloop, waardoor deze uitgaven op het eerste gezicht minder interessant of relevant lijken voor bewaring. Anderzijds leert de aanwezigheid van deze partituren in het archief van een negentiende-eeuwse muziekvereniging ons iets over deze vereniging zelf en over het repertoire dat ze uitvoerden. Misschien vormt de aanwezigheid van deze partituren zelfs een bron van kennis over het muziekleven in de stad of regio.
Bovendien zijn partituren en andere vormen van genoteerde muziek vaak echte ‘werkdocumenten’, waarop veelvuldig aantekeningen worden gemaakt door de uitvoerders. Op die manier leren deze documenten ons ook iets over hoe muziek in het verleden werd gepercipieerd en uitgevoerd.