Haha humor: commedia dell’arte in theater en circus | Erfgoeddag 2026
Commedia dell’arte is een theatergenre waarbij vaak geïmproviseerd wordt. Er zijn vaste personages, waarvan de meeste een (meestal leren) masker dragen. Er zitten veel humor en vaak acrobatische elementen in een voorstelling. Veel aspecten uit commedia dell’arte komen ook terug in andere genres, zoals circus en poppenspel. “Zowel het theater als het circus is geboren vanuit de commedia dell’arte”, vertelt Danny Ronaldo ons.
In het kader van Erfgoeddag 2026 gingen we in gesprek met Lucas Tavernier, een acteur met een passie voor commedia dell’arte, en met Danny en Pepijn Ronaldo van Circus Ronaldo.
Commedia dell’arte en circus
Commedia dell’arte was vooral van de 16e tot de 18de eeuw populair. “Er zijn verschillende theorieën over het ontstaan van het theatergenre”, zegt Lucas Tavernier. “Een daarvan is dat het ontstond op de markt om volk te trekken.” Danny Ronaldo vertelt daarover: “De acteurs moesten zorgen dat het publiek rond het podium kwam staan. En ze moesten ook zorgen dat de mensen bleven staan. Daarvoor hadden ze een goed spel nodig, maar ook heel veel goede humor en prikkeling. Het publiek moest continu geprikkeld worden, niet alleen met het verhaal, maar ook met kunstenmakerij.” Ook bij het circus was dat het geval: “Omdat het circus nooit enorm gesubsidieerd werd, was het nodig dat het publiek rond het podium bleef staan, of later de tent ingelokt werd. Helaas heeft dat ook geleid tot platte commercie in het circus. Anderzijds heeft het wel gemaakt dat circusartiesten veel meer rekening bleven houden met: Hoe kunnen we spanning houden, zodat het publiek blijft?”
Een ander kenmerk van commedia dell’arte zijn de vaste personages. “Er zijn dienstknechten, zoals Arlecchino en Pulcinella,” licht Lucas toe, “en meesters, zoals Pantalone en Dottore. Daarnaast zijn er drie ongemaskerde personages: de jonge geliefden en de dienstmeid Colombina.” Pepijn Ronaldo zegt daarover: “In commedia, in tegenstelling tot theater, zijn het altijd dezelfde personages die iets meemaken of iets vertellen. Het verhaal is eigenlijk een kapstok om te laten zien hoe die personages – die we goed kennen – daarmee omgaan. Het publiek gaat zich inbeelden wat de personages gaan doen. En er zit veel plezier in als dat dan net zo is, of net niet.” Volgens Pepijn is dat iets wat ook in het circus terugkomt: “De clown is altijd dezelfde persoon die met iets zo omgaat en daarom gaat die met het volgende zo om. En ik denk dat dat iets heel commedia is dat wij ook heel hard proberen doen. Uiteindelijk is er vaak weinig verhaal, maar gaat het meer over situaties en hoe de mens daarmee omgaat.”
De clown is bovendien een directe afstammeling van commedia dell’artepersonages. “De traditionele clown met het wit gezicht en punthoedje is een mengeling van Arlecchino (Harlekijn) en Pedrolino (Pierrot)”, legt Danny uit. “Die twee werden ooit door dezelfde speler, Joe Grimaldi, afwisselend gespeeld. Hij zou die twee personages op den duur samengebracht hebben in een nieuw personage. Een personage dat het dromerige heeft van Pedrolino en een beetje het demonische van Arlecchino.” Later in de negentiende eeuw kwam er in het circus ook de onhandige august bij. Vaak vormt de witte clown samen met twee augusten een trio. “Dat is echt een succesformule,” zegt Danny, “omdat de meeste scènes — en dat komt ook uit de commedia dell’arte — als basis drie personages hebben. Je hebt dan altijd de meester, de eerste knecht (die al redelijk dom is) en de tweede knecht (die nog dommer is). En het feit dat de ene nog net iets dommer is dan de andere, daar zit de grootste humor in.”
Die machtsverhoudingen en de karakteristieke eigenschappen van de personages, maken het ook mogelijk om een spiegel voor de maatschappij te houden, zowel in commedia dell’arte als in het circus. “In commedia dell’arte worden op een heel lichte manier, met kleine scènes, toch heel grootse thema’s aangehaald”, vindt Pepijn. Volgens Danny is het de kunst om maatschappelijke dingen in de voorstelling op te nemen, maar dat nooit letterlijk te doen. Hij geeft een voorbeeld uit de periode waarin Italië door de Spanjaarden bezet werd: “Commedia dell’artespelers die Capitano waren, de Spaanse kapitein, speelden dat ze hun zwaard niet uit de schede kregen, over hun eigen laarzen struikelden, of een vrouw tevergeefs probeerden versieren. Het publiek vond dat hilarisch. Maar de spelers moesten opletten, want als ze een millimeter over de lijn gingen, werden ze opgepakt en opgesloten. Ze moesten zodanig subtiel spelen dat het publiek wel voelde waarover het ging, erom moest lachen en getroost werd, maar zonder zelf in de problemen te komen. Dat vind ik heel knap.”
Ook kenmerkend aan commedia dell’arte zijn de lazzi (enkelvoud: lazzo). “In de commedia dell’arte had je het verhaal dat ze speelden, wat meestal heel eenvoudig was,” licht Danny toe, “maar los van het verhaal had je ook tussenstukjes of lazzi. Die hadden eigenlijk niets met het verhaal te maken, maar waren een soort entertainment om het publiek aan te trekken en bij het podium te houden, en om changementen te doen.” Lazzi kwamen ook vaak terug in verschillende stukken, vertelt Danny: “De commedia dell’artespelers hadden allemaal een repertoire van lazzi die ze in elke voorstelling opnieuw deden, ook al was het een ander verhaal. Het publiek kwam daarvoor. Ze gaven applaus wanneer een populaire lazzo begon, net zoals zangers nu veel reactie krijgen wanneer ze hun grote hit inzetten.”
Veel van die lazzi zijn in clownsnummers terechtgekomen. “Als je oude clownsacts bekijkt, zijn dat allemaal min of meer scènes uit de commedia dell’arte”, vertelt Danny. Pepijn voegt daaraan toe: “Wat ik heel fascinerend vind, is dat die clownsnummers – los van het verhaal – worden volgestoken met gags of lazzi die iedereen al duizend keer gezien heeft. Ik denk dat het publiek het ook heel fijn vindt om te voelen wat gaat komen en dan te zeggen: ‘Ik wist het!’.” De uitdaging is om die lazzi dan aan te passen aan het verhaal en ze ook goed te spelen, zodat het publiek toch geraakt wordt en lacht.
De waarde van commedia dell’arte voor acteurs
Lucas Tavernier leerde commedia dell’arte kennen tijdens zijn theateropleiding in Frankrijk. Hij speelde al enkele keren in commedia dell’artevoorstellingen en schreef ook zijn eigen stuk. Maar ook in zijn ander theaterwerk merkt hij dat zijn kennis uit commedia dell’arte een meerwaarde vormt. Hij vertelde ons over zijn parcours van theaterstudent tot workshopdocent.
Na een opleiding Romaanse filologie in Leuven ging Lucas theaterwetenschappen studeren aan Sorbonne Nouvelle in Parijs. Twee jaar later slaagde hij voor een praktijkexamen bij de theaterschool ERAC. “Daar kregen we in de voormiddag basislessen, zoals dictie en scènegevechten”, vertelt hij. “In de namiddag hadden we telkens een aantal weken stage. Zo kwam er twee weken iemand van Radio France om te leren werken met een microfoon voor hoorspelen. En van Stefano Scribani kregen we een maand lessen in commedia dell’arte.”
Via die lessen kreeg Lucas de microbe voor commedia dell’arte te pakken: “Ik vond dat heel interessant en heb dan het geluk gehad dat ik na mijn opleiding de hele zomer lang een contract kreeg als commedia dell’artespeler. Dat was met La Compagnie du Faux-Col in het Loirekasteel van Amboise. We deden daar vier performances per dag: twee wandelingen waarbij we improviseerden in interactie met het publiek; en twee voorstellingen in de tuin.”
Een 20-tal jaar later wilde Lucas terug iets doen met commedia dell’arte. “Ik nam contact op met Francis Debeyre, de maskermaker van La Compagnie du Faux-Col, uit Rijsel. Francis maakte toen vier maskers voor mij: Pantalone, Arlecchino, Capitan en Dottore. Voor drie van die maskers, en twee ongemaskerde personages, schreef ik het stuk Het Spookhuis. We speelden op het Spekkenfestival in Gent, op de Gentse Feesten, in Brussel … Zonder veel reclame hadden we volle zalen.”
Door via Het Spookhuis terug in aanraking te komen met commedia dell’arte, leerde Lucas de waarde van commedia dell’arte voor een acteur: “Ik merkte dat het een ongelooflijk cadeau is om met maskers te werken. Het masker verplicht je om duidelijke spelkeuzes te maken, zowel fysiek als vocaal. Als het masker bijvoorbeeld een scherpe neus heeft, wat doet dat dan met jouw lichaamshouding en met jouw stem? Achter elk masker zit ook een personage met een vast denk- en gedragspatroon. Dat laat je toe om binnen dat personage te improviseren.”
Lucas besloot om te starten met workshops waarin je leert spelen met commedia dell’artemaskers. Niet alleen omdat het je leert om spelkeuzes te maken, maar ook omdat het een toegankelijke spelvorm is: “Als beginnend acteur is het niet altijd makkelijk om te voelen of je juist aan het spelen bent. Bij commedia is alles heel duidelijk en ervaart iedereen ‘ja, dat was het’. Dat merk ik in alle workshops die ik geef. Wanneer een speler gevoeld heeft dat het spel juist zat en nadien zijn masker afzet, zie je de euforie. Commedia dell’arte is echt een fantastische manier om jouw eigen speelinstrument te leren kennen.”
Om de workshops te kunnen geven, nam Lucas opnieuw contact op met Francis Debeyre. “Hij had nog acht maskers liggen die ik kon kopen. Nu heb ik dus een collectie van twaalf maskers, waarvan sommige dubbel zijn. Zo heb ik een Arlecchinomasker dat heel mannelijk en stevig is, en een ander dat iets ronder en zachter is. Het leuke is dat voor sommige spelers het ene masker beter werkt dan het andere. Er is dus altijd de magie van de compatibiliteit tussen speler en masker. Dat vind ik altijd heel bijzonder.”
De workshops bieden voor Lucas niet alleen een manier om anderen iets bij te leren, hij blijft zichzelf er ook door ontwikkelen: “Tijdens de workshops zie ik anderen spelen, en daardoor leer ik telkens nog bij. Zo zag ik onlangs tijdens een workshop in Turkije Magnifico voor het eerst echt juist spelen. Magnifico is een heel sterk en dreigend masker. Het was een openbaring om te zien hoe dat masker daar gespeeld werd.”
Daarnaast helpt commedia dell’arte Lucas ook bij zijn ander acteerwerk. “Als acteur krijg je vaak weinig tijd. Ik heb bijvoorbeeld al gewerkt als verteller bij het Belgisch Nationaal Orkest. Daar krijg je heel weinig repetitietijd. Je moet dus heel snel keuzes kunnen maken. En dan is het goed dat je jouw eigen speelinstrument goed kent. Ik heb het gevoel dat ik heel vaak teruggrijp naar mijn ervaring uit commedia dell’arte. Het helpt mij persoonlijk om te weten: als ik dat doe, is dat het effect. Ook zonder masker.”
Ook interessant
Immaterieel erfgoed van circus in de kijker?
Circuscentrum zet circus op de online kaart tijdens Wikithon op circusfestival Smells Like Circus
Luk De Bruyker: Poppenspel als brug tussen culturen