Haha humor in operettemuziek | Erfgoeddag 2026
Erfgoeddag 2026 staat in het teken van humor, net als Stijn Saveniers’ doctoraatsonderzoek La Grande Bouffe – uitdagingen in de uitvoering van muzikale komedies. In een gesprek vertelt Stijn over humor in operettemuziek en zijn onderzoek ernaar.
Over operette
“Operette is een vorm van komisch muziektheater waarbij spreektheater wordt afgewisseld met muziek, zang en vaak ook dans. Muziek speelt een grote rol bij operette en kan ook bijdragen aan het humoristische karakter ervan. Operettes worden soms met een kleine bezetting uitgevoerd, soms zelfs enkel piano. Maar door te werken met een (klein) orkest, creëer je meer mogelijkheden, ook op humoristisch vlak.
Operette is ontstaan in het midden van de 19e eeuw vanuit de kritiek dat de Franse opéra comique te lang en serieus werd. Onze regio heeft trouwens een belangrijke rol gespeeld voor operette in de 19de eeuw. Er waren bijvoorbeeld zaken die in Parijs onmogelijk waren en bij ons wel konden. En als je het vanuit Berlijn in Parijs wilde maken, moest je eerst aan onze theaters passeren. Het is mooi om in oude uitgaven te ontdekken dat werken bijvoorbeeld in Zürich in première gingen, dan eerst naar Antwerpen kwamen, dan naar Parijs reisden en vervolgens naar Brussel. Bovendien hebben operettes van Belgische componisten een grote populariteit gekend in Europa.”
Wat is jouw achtergrond en hoe kwam je tot jouw onderzoeksonderwerp?
“Ik kwam al van kinds af aan in contact met operette. Mijn vader, Edmond Saveniers, dirigeerde in de jaren 70 en 80 veel operetteproducties. Als kind gingen wij – mijn broer, zus en ik – vaak mee naar de opera. Ik ben zelf ook dirigent geworden en toen ik gevraagd werd om producties van het Brussels Operettetheater te leiden, kwam ik vanuit de praktijk opnieuw in contact met het genre. Daar kreeg ik het gevoel dat er in de muziek meer moest zitten dan wat vanuit een klassiek muzikale interpretatie naar boven kwam. En dat heeft mij vrij snel op een onderzoekstraject gezet.
Ik ging in gesprek met mensen die heel bekend zijn met operette-uitvoering en leerde veel bij vanuit de orale traditie. Toch bleef ik wat op mijn honger zitten op muzikaal vlak. Op die manier is de bal aan het rollen gegaan om dieper in de partituren te duiken, om dat te connecteren met principes van bredere humorstudies en met de manier waarop komische genres (ook spreektheater) worden gebracht. Zo wilde ik onderzoeken of het mogelijk is om in de muziek elementen te isoleren die kunnen leiden tot humor, en zo de muziek mee tot komisch acteur te maken.”
Hoe heb je jouw onderzoek aangepakt?
“Het idee was om te kijken wat de partituren ons kunnen leren, op dezelfde manier dat je dat met theaterteksten kan doen. Omdat er geen analysemodel was om te zoeken naar humor in muziek, heb ik dat zelf ontwikkeld. Mijn analysemodel is gebaseerd op de manier waarop ik in de praktijk telkens een stuk analyseer. Eerst ga ik door de tekst van het stuk, want de humor die daar inzit, kan ons al een idee geven wat de componist daarmee gedaan heeft. In een tweede fase neem ik het werk muzikaal door. Daarna ga ik experimenteren: Wat kan ik uitvergroten? Wat kan ik doen dat eventueel komisch werkt, gesteund op kennis over bredere humortechnieken? Ik doe ook altijd een soort van tegenproef: Wat kan ik doen om te zorgen dat het net niet humoristisch werkt? Dat proces heb ik over een corpus van meer dan 80 werken herhaald, om zo humoristische elementen te isoleren. Op die manier heb ik 32 muzikale ‘humortechnieken’ benoemd. Die ben ik dan gaan toepassen op een aantal casestudies, in samenwerking met studenten van het Conservatorium van Antwerpen en met een aantal professionele muzikanten.”
Welke casestudies waren dat?
“Vanuit een vraag van het conservatorium hebben we een grotere operetteproductie gerealiseerd, met La Périchole van Jacques Offenbach. Samen met Jasper Charlet schreef ik daarvoor een volledige herorkestratie. Omdat ik zo betrokken was bij die productie, leek het mij logisch om dat als casestudie te nemen.
Verder vond ik het interessant om te kijken naar werken uit eigen land. Ik koos voor een salonoperette van Eva Dell’Acqua, een Brusselse componiste uit het einde van de 19de, begin van de 20e eeuw. Over haar werk Une Ruse de Pierrette verscheen al eerder een uitgave bij het Studiecentrum voor Vlaamse Muziek — waar ik ook werk. Jammer genoeg is het originele materiaal van de operette (voorlopig) verloren. Ik heb daarom een nieuwe orkestratie gemaakt voor houtblaaskwintet, piano en twee zangers.
Daarnaast ben ik aan de slag gegaan met een onbekende Nederlandstalige operette: Brueghelkermis van de Antwerpse componist Hendrik Kennes. Oorspronkelijk was ik op zoek naar Kennes’ Miljoenenbruid. Dat werk werd uitgevoerd in 1929 door de voorloper van Opera Ballet Vlaanderen. Ik vond er complimenten over terug in krantenartikels en dat wekte mijn interesse. In het archief van de opera vonden ze het werk jammer genoeg niet terug, maar wel Breughelkermis van dezelfde componist. Dat werk stond geprogrammeerd in het seizoen 1944 – 45, maar werd door de bevrijding verplaatst naar 1969. De opera stuurde mij de partituur door en ik moet zeggen dat ik de kwaliteit van die muziek bijzonder waardeerde. Om die reden vond ik het logisch om ook Brueghelkermis als casestudie te nemen.”
Wat zijn de belangrijkste resultaten uit het onderzoek?
“Mijn vraag was in eerste instantie: Is muziek capabel tot het overbrengen van humor? Het antwoord daarop is ronduit ja. Een van mijn promotoren was Marlies De Munck, muziekfilosofe. Zij vertelde me dat mijn werk in zekere zin antwoord biedt op een belangrijke muziekfilosofische vraag: ‘Kan muziek drager zijn van betekenis op zichzelf?’.
Verder geef ik niet alleen aan welke humortechnieken ik kon isoleren. Ik reik ook een aantal uitvoeringsmanieren aan. De humortechnieken maken de mogelijkheden van muzikale expressie veel groter. Je wordt als muzikant uitgedaagd om je kleurenpalet breder en groter te maken. Daardoor kan je weggaan van het louter esthetische, en kan je de muziek werkelijk laten bijdragen aan de komedie. Mijn onderzoek laat zien hoe extra gelaagd muzikale komedie is en ik hoop dat ik zo een stukje kan bijdragen aan de waardering ervan.
De humortechnieken maken het nu mogelijk om in discussie te gaan: Gaan we die gebruiken of niet? Want het is niet omdat je humoristische elementen uit de analyse van een partituur kan halen, dat je ze ook moet inzetten. Dat kan afhankelijk zijn van het moment of deel uitmaken van het creatief proces. In mijn ideaal is iedereen bij dat proces betrokken — regisseur, scenograaf, zangers, muzikanten … — en kan iedereen voorstellen doen. De balans moet goed zitten. Zo kan het muzikale iets invullen dat daardoor niet meer ingevuld moet worden door het fysieke of door de taal. Als het te veel zou zijn, wordt het komische ook doorbroken. Het gaat dus om het vinden van een goede balans.”
Hoe zit humor in operettemuziek?
“Op heel veel verschillende manieren. Een van de theorieën binnen de bredere humorstudies is de incongruentietheorie. Met andere woorden: we worden verrast door iets wat buiten de context lijkt te gebeuren. Dat kan ook muzikaal toegepast worden door in de melodie iets onverwachts te steken. Soms heeft dat te maken met elementen van contrast. Je kan bijvoorbeeld werken met kleurverschillen – verschillen in de klankkleur van instrumenten.
Humor kan ook in de structuur van de muziek zitten, waardoor je net hetzelfde effect krijgt als de pointe van een mop. Er zijn ook elementen die raken aan het idee van superioriteit, aan het feit dat je als publiek meer weet dan de personages in het verhaal. Verder kunnen er elementen inzitten van slapstick: kleine muzikale entiteiten die bijvoorbeeld het equivalent zijn van uitglijden over een bananenschil.
Ik heb mij in mijn onderzoek ook niet beperkt tot het louter muzikale. Komedie zit net in het samengaan van zang en orkestmuziek. Soms heb je bijvoorbeeld een tekst die op zichzelf niet zo humoristisch is, maar die een heel andere kleur krijgt door de manier waarop er muziek onder gezet is.
Zo zijn er een heel aantal elementen die leiden tot humor. In de meeste gevallen is dat op zo’n manier dat het publiek niet meteen bewust is dat het de muziek is die de komische driver is.”
Hoe ga je jouw onderzoeksresultaten verder toepassen?
“Vooral door de kennis mee te nemen in nieuwe producties waarbij ik betrokken ben. Dat is nu ook al voor een groot stuk het geval. In elke partituur zie ik de mogelijkheden die er zouden zijn om dat komisch te laten werken, ook in materiaal dat daar niet noodzakelijk op geënt is (lacht). Ik heb in mijn onderzoek niet alleen bevestigd gezien wat ik al lang deed. Ik heb er veel uit geleerd en dat zal ik altijd meenemen.
Verder geef ik de expertise door aan studenten van de vocale afdeling van het Antwerpse conservatorium, waar ik lesgeef als repertoirecoach. Daarnaast had ik naar aanleiding van mijn onderzoek contact met andere Europese dirigenten die bezig zijn met muzikale komedie. Ik ben blij dat zij enthousiast zijn over mijn onderzoek en ik kijk ernaar uit wat hun kritiek zal zijn. Het zal ons alleen maar verder helpen als de resultaten verder besproken en bediscussieerd worden. Je zou kunnen zeggen dat muzikale komedie voor mij een levenslange onderzoekslijn is geworden.”
Haha Humor in muziek en podiumkunsten | Erfgoeddag 2026
Ook interessant
CEMPER op studietrip naar Keulen: inspiratie voor een dansarchief in Vlaanderen
Luk De Bruyker: Poppenspel als brug tussen culturen
Muziekcollecties en –archieven beschrijven in Archiefbank